Categorieën
Fictie

Steigerhout

Hij zag haar in een studentencafé waar een barman met een gebreide muts hem een biertje voorzette. Ze lachte om iets wat de jongen naast haar zei en sloeg haar vuurrode lokken naar achteren. Onmiddellijk wilde hij dat ze om hem lachte en niet om die ander.
Zogenaamd nonchalant ging hij naast haar aan de bar staan, waarbij hij per ongeluk met zijn ellenboog in haar rug prikte. Hij maakte uitgebreid excuses voor zijn onhandige gedrag en bood haar en de jongen een drankje aan. Er volgde een gesprek waarin zinloze woorden en betekenisvolle blikken werden uitgewisseld. Zij heette Sofie, studeerde milieukunde en werkte parttime in een fairtrade winkel en hij heette Barteld en was een studievriend. Ze dronken een paar biertjes en Barteld stak een emotioneel relaas af over hoog sensitief zijn en zich nooit begrepen voelen. Sofie leek geraakt en beet op haar lip.
‘Rot voor je,’ zei hij tegen Barteld en haast ongemerkt streek hij met zijn hand over Sofie’s rug.
Bartelds ogen werden waterig en de muts kondigde de laatste ronde aan.
Dat hij de laatste trein naar Arnhem had gemist, was geen probleem. Zowel Sofie als Barteld bood hem een slaapplek aan. Het bezwaar van Bartelds kamer was dat die vijf kilometer buiten het centrum lag en dat hij die afstand op een krakkemikkige bagagedrager zou moeten afleggen. ‘Het is geen enkele moeite. Anders wisselen we halverwege,’ zei Barteld.
Omdat dit niet de bedoeling was van het missen van zijn trein, rammelde hij net iets te hard aan de bagagedrager en één van de spijlen brak af. Roest. Barteld tuitte beteuterd zijn lippen.
Er zat niks anders op dan dat hij met Sofie meeging. Haar kamer lag op loopafstand van de kroeg. De ruimte was klein en dus was er geen mogelijkheid om twee logés uit te nodigen en er een slaapfeestje van te maken. De goden waren hem gunstig gezind.
Nadat Barteld Sofie op beide wangen had gezoend en hem had omhelsd – een onaangenaam moment, omdat hij naar zweet stonk – waren ze eindelijk met z’n tweeën. Zwijgend liepen ze door de schemerige Marktstraat. In de verte rinkelde de ketting van een fietsslot en een man in een openhangende regenjas slingerde hen tegemoet. Hij trok haar beschermend naar zich toe. Ze glimlachte lief naar hem en ze bleven de rest van de weg gearmd lopen.
‘Hier is het.’ Bij een deur naast afhaalrestaurant ‘China Delight’ rommelde ze in de zak van haar spijkerjasje en stak de sleutel in het slot. Op de steile trap naar boven pikte ze een envelop mee. De zoete weeë geur van Bami Pangang vulde het trappenhuis. Het maakte niet uit, want hij had alleen aandacht voor Sofie’s benen voor hem op de trap die een magisch verdwijnpunt hadden in haar ribfluwelen rokje.
Na drie trappen waren ze bij haar kamer aangekomen. ‘Let niet op de rommel.’
Natuurlijk was er geen rommel te bekennen in het hok dat dienst deed als kamer. De paar vierkante meters waren eerder minimalistisch ingericht. Dat zag je niet vaak bij een vrouw. Het had natuurlijk te maken met haar passie voor duurzaamheid, waarover ze in het café had verteld. Passie was altijd goed bij een meisje.
‘Ga zitten,’ zei ze. Zelf trok ze een poef onder haar bureautje vandaan en plofte neer. Er was geen stoel of bank, wel een bed van blanke planken, en dus ging hij maar op de grond zitten.
‘Ik heb nog rode wijn openstaan. Wil je een glas?’ Ze schonk een flinke bel biologische wijn in een longdrink. ‘Mijn droom is om over een paar jaar een tiny house te bouwen.’
Hij vroeg haar of ze van plan was het eigenhandig te bouwen. Dat was ze en ze wees op het bed. ‘Ook zelf getimmerd van steigerhout.’
‘Niet te geloven,’ zei hij.
Ze praatte honderduit en hij deed zijn best om zich geïnteresseerd en geduldig te tonen. Ook al dwaalde zijn blik soms via de rondingen in haar pluizige truitje af naar het bed.
Ze rekte zich uit, zodat het bolletje van haar navel zichtbaar werd, en gaapte. ‘Tijd om te slapen.’
Hij veerde op.
‘Momentje,’ zei ze en ze liep de gang op.
Hij hoorde haar de trap aflopen. Stiekem drukte hij zijn neus in haar hoofdkussen en snoof een vanilleachtige geur op. Het was maar goed dat zijn pakje Chesterfield onaangebroken in zijn jaszak zat.
Sofie kwam terug met een berg dekens in haar armen. ‘Van mijn huisgenoot.’
‘Dat is niet nodig,’ zei hij.
‘Natuurlijk wel, gekkie,’ zei ze en ze spreidde één dekbed uit op de grond voor het bed en het andere legde ze er bovenop. Hij zag nu dat ze ook een kussen bij zich had. Ze was druk bezig om de slaapplaats op de grond te schikken. Het ging de verkeerde kant op. Actie was vereist.
Hij legde zijn handen om haar heupen. ‘Ik heb nog nooit in een zelf getimmerd bed geslapen. Heb je het al getest met twee personen?’
Langzaam kwam ze omhoog. Haar haren kriebelden in zijn neus en hij rook de vanilleachtige geur. Het begon te branden in zijn kruis. Voorzichtige streek hij haar haren naar één kant. Voordat zijn lippen haar melkkleurige hals konden raken, draaide ze zich om en trok haar wenkbrauwen op. ‘Ik moet morgen werken.’
‘Ik niet,’ zei hij en trok haar tegen zich aan.
Lachend duwde ze hem van zich af. ‘Dan mag jij uitslapen.’ Ze trok haar truitje uit en tikte hem speels tegen zijn borstkast. ‘Welterusten.’ Met rokje en al dook ze het bed in, waar ze het kledingstuk onder het dekbed naar beneden wurmde. Het belandde aan het voeteneind samen met haar panty. Daar kon hij het meedoen.
Die nacht deed hij geen oog dicht. De grond was hard en hij kon geen comfortabele slaaphouding vinden. En wanneer hij toch leek weg te zakken, werd hij opgeschrikt door het gesnurk van de schone slaapster in het bed naast hem. Even overwoog hij om stiekem bij haar in bed te kruipen. Ze zou er vast niet wakker van worden. Misschien vleide ze zich in haar slaap tegen hem aan om half dromerig met hem te vrijen, warm en loom. Nee, ze had haar kans gehad.
Tegen de ochtend viel hij alsnog in slaap. Hij schrok wakker van de klap van de buitendeur die in het slot viel. Een reep licht piepte door een kier in het gordijn en scheen op de twee glazen op de vloer. Langzaam kwam hij overeind en vloekte. Het bed naast hem was leeg en zijn hele lichaam voelde stram. In de hoek van de kamer zoemde een koelkastje. Hij opende het. Er lagen enkel een pak sojayoghurt een bos wortels in. Hij graaide het pakje Chesterfield uit zijn binnenzak en stak een sigaret op. Het roze pluizentruitje lag binnenstebuiten op de poef. Op het bureautje stond een laptop met een notieblok en potlood ernaast. Het bovenste velletje was maagdelijk wit.
Hij ging zitten op haar bed, rookte zijn sigaret en streek met zijn vrije hand over de noesten in het hout. De peuk drukte hij uit op de bedrand. Het gaf een lelijke schroeiplek. Hij rolde met zijn duim over het tandwiel van zijn aansteker en staarde naar het vlammetje. Steigerhout: goed spul.

Gebaseerd op Norwegian Wood (Lennon & McCartney, 1965).