Categorieën
Fictie

St. Bernardus 12

St. Bernadus 12
En dus gingen Fons en Josianne op een boot wonen.
Een oude droom die werkelijkheid werd.
Josianne is ingewikkeld, Fons denkt dat hij dat niet is.
Een hopeloze discussie zonder eindmeet wordt de aanleiding om zijn jas van de kapstok te nemen.
***
Dax Café. Op de kaart staat Westvleteren. Ja, dat kent hij.
‘We zullen de St. Bernardus 12 eens uit proberen,’ praat Fons zichzelf aan.
En, het moet worden gezegd, het smaakt fantastisch. Die Trappistenpaters kennen er wat van!
Aan de toog begint de man naast hem zijn leven te vertellen. Bij het tweede hoofdstuk biedt hij Fons nog een drankje aan en verzekert zich zo van diens aandacht. Fons kan uiteraard niet achterblijven en na nóg een scheiding en alwéér een kind wordt het gesprek dermate vloeiend, dat hij er genoeg van krijgt. ‘Man, ’t komt wel goed! Tot een dezer…’

Fons haalt diep adem, schuift een paar vooroordelen opzij en loopt naar de andere kant van de toog. Een sensueel vrouwtje heeft er zijn aandacht geënterd. Zij begint aandachtig haar purperen nagels te bestuderen terwijl hij naast haar gaat zitten.
‘Dax, schenk mij nog eens nen Bernard in?’ vraagt hij aan de man achter de bar. ‘En wat drink jij nog van mij, mooie deerne?’ flatteert hij terwijl hij zijn barkruk wat dichter bij de hare schuift.
Zazou heet ze en ze houdt het bij een witte wijn. Ze is niet echt mooi of jong, maar ze heeft dikke tetten. En ze heeft een donkere huidskleur. Diep donkerbruin, als van pure bittere chocola. Zazou is van Sierra Leone, was daar verpleegster en spreekt ondertussen al behoorlijk Nederlands. Ze is hier nu telefoniste in een callcenter en woont alleen en is soms een beetje eenzaam en ze legt haar donkere hete hand op zijn bleke voorarm. Zijn fantasie draait overuren.
‘Dax, schenk je ons nog eens ‘t zelfde in please?’
‘Oké, ‘t laatste dan! Weet je wel hoe laat het al is?
‘Shit, is ’t al zo laat? Laat dan maar. Wat is mijn schuld? En ja Dax, ik weet het, ’t is allemaal mijn schuld.’ En dan neemt hij een besluit:
‘Ik denk dat ik toch maar eens opstap’, mompelt hij en geeft haar vluchtig een zoen. Even is het niet helemaal zeker waar die zal eindigen.
Hij houdt zijn ego met beide handen aan de toog vast en laat zijn lijf van de barkruk glijden. Fons doet moeite om opgewekt en alert te lijken en kijkt rond. Alles onder controle.
‘Tot de volgende, schat!’, komt er doelbewust uit. Daarop draait hij zich om en loopt naar de deur, wat al iets moeilijker blijkt. Het plafond golft, de muren deinen. De deurklink geeft hem even een veilig gevoel… Blij dat hij meteen in de juiste richting trekt.

De lucht is koel, het miezert verfrissend. Het geroezemoes achter hem valt weg. Bovenaan het trapje is de afgrond naar de straatstenen groter dan verwacht. Het Benji-gevoel. De eerste trede lukt wonderwel, de tweede ook nog net, maar dan moet hij de deurstijl loslaten om de derde te nemen. Nog één te gaan. Fons twijfelt even of hij daar de linker, dan wel de rechter voet voor zou gebruiken en dat wordt fataal voor het evenwicht. Niet dat hij valt, maar het terug in balans brengen van zijn plomp overgewicht is problematischer dan gedacht: zijn lichaam zwenkt naar een ongewilde richting, de geest corrigeert maar overdrijft, het lijf is weerbarstig en het verstand weigert toe te geven. Uiteindelijk staat Fons nog steeds rechtop en kijkt verdwaasd rond. Enigszins gerustgesteld ontwaart hij het pad dat hij zal moeten bewandelen, de weg naar huis. Het voetpad blijkt bezaaid met te veel straatstenen. Het trottoir is smal, te smal voor zijn voeten. Met één stap staat hij al op de rand van de stoep en met de volgende kwakt hij tegen een huisgevel aan. Daar blijft hij even tegen aanleunen, doet de ogen dicht en meteen weer open want de paterkes polonaisen te heftig. Hij ademt diep de heldere avondlucht in en de misselijkheid uit. Fons zwalpt verder, van auto naar gevel en terug, af en toe halt houdend om de juiste richting te checken en de mallemolen de kans te geven om vaart te minderen. Stilaan begint de frisse lucht zijn effect te hebben: zelfverzekerd, nagenoeg rechtlopend naar de haven, naar zijn schip, zijn Josianne. Nog even volhouden, hij is er bijna…

***

‘Josianne!’
Fons luistert gespannen. Het is akelig stil. Al wat hij hoort zijn de druppels die van zijn natte haren terug in het water vallen.
Ik ben verdomme van de steiger in ’t kanaal gesukkeld!
‘Josianne!’ roept hij nu nog luider.
Niet de minste reactie.
Ik moet hier godverdomme uit geraken. Dit is echt niet oké.
Hij houdt zich met beide handen krampachtig vast aan het touw waarmee zijn boot aan de steiger is vastgemaakt. Hij probeert zich op te trekken. Zijn kleren zijn te zwaar. Het ontbreekt hem aan kracht in de armen. Zijn voeten vinden geen steun onder de steiger. Al wat hij kan doen is volhouden en wachten.
‘Josianne!’ schreeuwt hij nu.
Verdomme, dit kan toch niet waar zijn! Ik probeer het nogmaals.
Ditmaal slaagt Fons erin om met zijn hand tot aan de bovenkant van de steiger te geraken. Hij trekt zich met alle macht op en slaagt erin om zijn rechterarm op de aanlegsteiger te krijgen.
Komaan man, opduwen nu, je bent er bijna, nog even doorbijten.
Hij laat het touw nu ook met zijn linkerhand los om de steiger te grijpen. Zover komt het niet: het kwetsbare evenwicht is verbroken, zijn benen gaan onder de steiger door en hij verliest grip. Voor hij het goed en wel beseft, tuimelt hij achterover het kanaalwater in en gaat weer helemaal onder. Hij hoort het water in zijn oren tekeergaan bij elke beweging. Zijn verstand weerhoudt hem om naar lucht te happen, hij stikt bijna en opent in paniek zijn ogen. Zijn oogballen schrikken van het koude water. Het is onder water al even donker als erbuiten. Hij weet niet meer wat boven of onder is, waar moet hij naar toe? Hij stoot zijn hoofd tegen iets hards. Hij geraakt buiten adem. Hij moet lucht hebben. Nu.

In een flits proef ik mijn eerste tongzoen, ruik de stalmest tijdens de Waalse zomervakantie, zie de inspanningspukkels op het gezicht van de barende moeder van mijn kind, voel de striemende hand van mijn vader op mijn wang en de afschuw van mijn eigen hand die mijn eigen moeder slaat, hoor de eerste noten op mijn gitaar en… Ik laat me gewillig door het kanaalwater omarmen… Dit was het dan! Over en out!
Je zit onder de steiger, blijf kalm, je moet er absoluut onderuit!, schreeuwt zijn verstand.
In een laatste stuiptrekking probeert Fons zich naar de oppervlakte te slaan, voelt iets, grijpt het vast en trekt met de moed der wanhoop. Hij voelt zijn hoofd boven water komen, net op tijd want het beetje gespaarde lucht was helemaal opgeraakt! Zijn ogen gutsen vol. Vaag ziet hij dat hij net weer zo aan de steiger hangt als tevoren.
‘Josianne!’ Niets. Iedereen slaapt allicht.
Dit zou pas een lullig einde zijn, komaan zeg! Hoe ben ik hier verdomme terecht gekomen?
Overmoedig was hij over de afsluiting gestapt die de steiger voor nieuwsgierigen behoedt. En dan weg evenwicht, één misstap en ’t kanaal in. Het was gewoon niet tegen te houden.
Rustig blijven. Waar kan ik naartoe? Naar de kade, neen da’s te hoog. Ik moet op die verdomde steiger zien te komen.
Rechterarm weer op de steiger. Oké. Nu de linker, en opduwen. Het lukt weer niet. Maar ditmaal blijft hij verdwaasd aan de steiger hangen. Hij mag niet loslaten.
Een rilling loopt van zijn nek langs zijn rug tot in zijn kruis. Het gevoel in zijn benen neemt af. Fons beseft dat hij snel afkoelt.
Je moet in beweging blijven! Je spieren terug opwarmen! Niet bij de pakken blijven zitten! Niemand hoort je. Je bent verdomme alleen, gast. Je moet er absoluut zien uit te geraken.
Met een kikkerbeweging duwt hij zijn benen in het water om zich makkelijker te kunnen optrekken. Het haalt niks uit. Zijn armen willen niet meer mee. Fons sluit zijn ogen. Radeloos.
Ik zou nog zoveel kunnen doen, zoveel willen meemaken. Maar de laatste jaren heb ik meer tijd dan ooit tevoren en heb er veel te weinig mee gedaan. Was ik destijds maar mee naar Katmandoe gelift, had ik maar als zestienjarige het ouderlijk huis verlaten en toen al fotografie bedreven in plaats van te stuiptrekken in een Grieks Latijnse paterkazerne.
Ik ben zo moe. Ik kan niet meer.
Ik geef het op…
***
Vaag hoort hij voetstappen naderen.
‘Help! Ik kan niet meer…’
En paar sterke handen nemen zijn polsen vast en trekken Fons uit het kanaal, net genoeg om zijn rechterknie op de steiger te kunnen zetten. Het is voorbij.
‘Bedankt, gast. Ik geraakte er alleen niet uit. Bedankt.’