Categorieën
Fictie

Sprook

Sprook

De kist in je hoofd, die glazen kist, je ogen dicht.
Wie plukte die appel? Een slang? Eva? Eris? Newton? Zoveel strijd om dat fruit!
Zeker, de jager schoot, jagers willen wild. Maar hij schoot mis, de kogel ketste, zijn mes zat vast en jij rende het donker in.
Het zwart maakte je blank, bleek, wit.

Bewustzijn doet pijn. Je hoofd in de kist, al je gedachten van glas.

En toen kwamen zij, de kleintjes, die zangers, die werkers in het huis van je lichaam. Je noemde ze horen, zien, ruiken, voelen, tasten en denken en wil. Zij noemden jou blanke ziel, zuivere psyche, witte bosvondst. Ze adoreerden je. Ze droegen je op handen. Met hen rook, zag, hoorde, voelde je. Bij hen voelde je je thuis.
Bij hen was je eenzaam omdat zij jou niet waren. Jij was hen niet en je zou ze nooit worden.

In de sneeuw, de naakte ijskoude tijd, lag je, al je zintuigen open.
Daar schreed de vorstin.
Je ziel een spiegel, de spiegel de waarheid, de waarheid een halve waarheid.
Zij was de mooiste, zonder twijfel- maar jij de zuiverste witste helderste warmste.
Al je zintuigen, je wil en je gedachten verlieten je, die dwergen.
Het klonk door je heen: er was eens.
Maar wie was jij?

Daar kwamen de smaak, de honger uit een hoek, een donkere groeve.
Rondrood van buiten, gifwit van binnen. Los van de boom, eenzaam als jij, de appel.
En jij beet en de vrucht beet terug. Wit en bitter. Pitten als steenkool. De kist klapte dicht en de wereld verglaasde.
.
Maar je had het kwaad niet doorgeslikt.
Je slikte het kwaad, die lekkernij, het heerlijkste wat je ooit proefde, die opperste verrukking, dat godloze genot, niet door.
Je slikte het niet door.
Je slikte niet.
Niet.
Niet.
Het bleef steken in de keel van je leven.

En de mooiste daar, de schoonste, de scherpste, de meest harde met het sterkste masker, won. Die fijnijzeren lach, die diamanten ogen, die mond van gloeiend ijs.
Won.
Lachte haar messcherpe lach.
Zij zelf was een spiegel, een glad glimmend oppervlak dat met zichzelf sprak. Glanzende weerkaatsende monologen. De echo’s van de eenzaamheid die tot haat leidt.
Ook haat is een waarheid. Dat jij haar de mooiste liet zijn.
Jij was ook haar.

Je lag in het glas. Je was half. Nog nooit was je zo de helft van iets, van iemand misschien.
Je bloed was van glas, je huid, je lach, je haar, je ogen, je adem. En in het midden van dat alles brandde je.
Je ziel brandde maar kon niet bewegen. Je ziel stond op maar het glas duwde haar terug.
Je ziel vocht en worstelde uit alle macht in die glazen kooi.
Brandde op.
As.
Nulpunt.
Je levensmiddernacht.

Het woelt.

Alles binnenstebuiten. Dwars door het niets, in het niets, uit het niets trek je jouw tegenbeeld tevoorschijn.
Vormt een gestalte van
Ziet een gezicht opdoemen uit
Maakt een lichaam door
Laat iemand toe die

Hoe beschrijf je de ander? De ander die jij niet bent- en toch lijkt te zijn?
Die dichterbij komt op het paard van zijn krachten? Kentaur, menner, ruiter, gast uit een mythe.
Dichterbij komt en bukt. Bukt en knielt. Knielt en kust. Een barst in het glas kust, de mond vol vragen, lippen die tasten.
Het kraakt om je heen.
Jij bent het die barst. Het deksel afwerpt, zodat je de zon de wind het gras vogels bomen bloemen bergen wolken aarde leven ademt.
Jij, de ander.

Vereniging.
Evenwicht, dat steeds maar even bestaat. Verstoord wil worden om verder te komen.
Het kan niet anders, het lijkt een wet.
Nieuw evenwicht. Verstoring. Val. Verstarring. Brekend glas. Nieuwe vereniging. Nieuwe vreugde en pijn.
Alles in je lacht en lijdt. Steeds weer.
Glazen kisten.
Het is een wet.

En terwijl je weet: er was eens en het kwaad
– hoe heet het? dat prachtige oogverblindende en scherpziende, verrukkelijke en sterke, glanzende en krachtige, onmisbaar en onnoembaar-
niet valt, maar nieuwe jagers stuurt, nieuwe spiegels maakt en op duizend manieren steeds vraagt wie je bent en hoe schoon en hoe half,
zie je: je wordt.