Categorieën
Fictie

Spoorloos

Ik speel net de laatste lepel van mijn kommetje ontbijtgranen naar binnen, wanneer mijn zusje binnen komt vliegen. Als begroeting geeft ze me een tik tegen het achterhoofd. Ze gaat tegenover me zitten en schenkt een kop koffie in. Zwart. Liefst zo straf mogelijk. Cafeïne stimuleert de vetverbranding, althans dat beweert haar favoriete weekblad.
“Hoe hangt ie, loser?”
Ze grijnst. Ze vindt zichzelf enorm grappig. Ik ben bijna een kop groter, maar ze houdt haar rug kaarsrecht, enkel en alleen om over mij uit te kunnen torenen. Dit is ons ochtendritueel. Dit is wat we doen als we niet op een ongoddelijk uur naar school moeten.
“Eet wat boter met je toast, mens”.
Mijn standaardantwoord. Zuslief weegt droog aan de haak nog geen 50 kilo. Loop ik ‘s ochtends vroeg de gang op omdat ik moet plassen en het echt niet meer kan ophouden, dan zie ik haar snel een handdoek omslaan. Lieve zus heeft ribben te veel, zo lijkt het wel. Ze moet meer eten. Een beetje vet, om al is het maar het idee van rondingen te suggereren. En die extra ribben te camoufleren.
Ik zie hoe moeder valsspeelt in de keuken. Vraagt zus om courgettini – want van pasta wordt ze dik – dan baden de slierten in room en geraspte kaas. Daarna zitten beide vrouwen een uur aan tafel. Mijn zus omdat ze de vettigheid van de groenten tracht te schrapen, mijn moeder omdat ze haar dochter minstens veertien happen wilt zien binnenspelen. Dat is het aantal waar ze na zware onderhandelingen voor getekend hebben. Om die reden tokkelt moeder met haar vingers op tafel. Gaat er een hap naar binnen, dan weerklinkt dat tokkeltje net iets harder.
Vader heeft er het geduld niet voor, hij grijpt liever een biertje uit de koelkast en plant zich voor tv. Hij is een man van weinig woorden, mijn vader. ‘s Ochtends vertrekt hij voor dag en dauw. ‘s Avonds gromt hij een beetje als hij de benen onder tafel steekt. Moeder krijgt een klapzoen. Zus ook. Naar mij wordt er geknikt. En dan valt hij zijn bord aan, om dus even later voor tv te eindigen, met een volle, vermoeide maag.
In het weekend is ie iets spraakzamer. Dan komt er zowaar een dozijn woorden uit. “Nou, wie goat er mie na de koeien kijken?” en “Kappe met die onzin” staan bovenaan in zijn woordenschat. Iedere zaterdag en iedere zondag weer. Ik wil dat laatste op zijn grafsteen laten beitelen, maar moeder ziet er de humor niet van in.
Deze ochtend zit vader aan tafel de krant te lezen. Af en toe slurpt hij een slok van zijn ziedende kop koffie. Zus schraapt een minuscuul laagje bio-roomboter op het sneetje volkorenbrood dat haar aanstaart, onder het alziend oog van moeder die doet alsof ze de afwas wegzet. Ik praat wat over het weer. Over het vandalisme van de voorbije week op school en hoe ik onterecht de schuld krijg van de schade.
Zus kijkt me verveeld aan. Ze zucht en rolt met haar ogen. Moeder hoort niets over de kopjes en schoteltjes die ze in bovenaan in de keukenkast stouwt en vader zit zo verdiept in zijn krant, dat hijzelf stilaan grijs uitslaat. De rimpels op zijn voorhoofd lijken op een krantenkop. Zijn ogen lezen het korte stukje dat in het grotere lettertype staat. Zijn mond prevelt de woorden van de eigenlijke artikels. Binnenland, het regionale nieuws en de duivensport. De andere pagina’s worden doorbladerd met geveinsde interesse. Daarna vliegt de krant naar het buitenhok, waar ze gerecycleerd worden voor het groenteafval en andere vuile klussen.
Ik geef mam een zoen op haar wang en duw mijn lege kom in de vaatwas. Ik gooi een “Tot later!” de keuken in – maar die blijft onbeantwoord – grijp m’n jack van de haak en loop naar buiten voor een frisse neus.
Op het einde van de straat word ik begroet door Gijs, de etterbak van de buurt. Hij is twee jaar ouder, maar zit desondanks bij me in de klas.
“Waar ga je naartoe, joh?” Gijs komt naast me lopen. Hij aapt me na en duwt zijn handen diep in de zakken van zijn jack.
“Een frisse neus halen. Moet kunnen, toch?”
“Tuurlijk, joh. Groot gelijk heb je. Af en toe moeten we allemaal een frisse neus gaan halen”.
Ik sla af in de richting van het dorpsplein en merk tot m’n grote spijt dat Gijs beslist heeft om dit babbeltje verder te zetten.
“Hoe zit het nou op school? Ga jij de schuld krijgen van… je-weet-wel, de kantine? Was me wel een zooitje, zeg”.
“Geen idee. Er is nog steeds niet beslist”.
Gijs knikt hevig het hoofd.
“Vervelend, hé. Stel je voor dat ze je schorsen? Je had het niet moeten doen, jongen”.
“Ik heb het dan ook niet gedaan”.
“Oh, echt? Waarom beschuldigen ze jou dan?”
Ik heb geen zin in dit gezeik. Gijs verdoet mijn tijd en het liefst van al zou ik zijn bek dicht timmeren. Ik moet hem zien kwijt te spelen, voor hij mijn plannen van vandaag om zeep helpt.
“Ik was op de verkeerde plek op het verkeerde ogenblik”.
“Ik snap het. Arme kerel”.
Gijs loopt zo’n honderd meter zwijgend met me mee.
“Misschien vinden ze de echte dader wel?”
“Daar vrees ik voor. Die is natuurlijk te slim om zich nu nog te laten pakken”.
Dat was het, het haakje dat ik kon uitwerpen. Hij lacht. Een beetje te luid en een beetje te lang.
“Je hebt gelijk. Die is al lang weg. Vervelend voor jou, man”.
Hij geeft me een schouderklopje, loopt nog een klein stukje mee en zucht dan dat hij echt naar huis moet nu.
“Maar hou je sterk, man. Het komt vast wel goed”.
Vaarwel, Gijs. Hopelijk tot nooit meer. En ineens tovert die gedachte een glimlach op mijn vermoeide rotkop. Ik haast me over het plein, tot aan de straat nabij het station waar op een weekdag nog zo’n tweeënhalve trein voorbijkomt. In het begin van de straat die parallel loopt met de sporen, staan enkele huizen, maar al snel maken ze plaats voor weides, een veld vol gele koolzaadbloemen en een gigantische appelboomgaard met glimmende appeltjes, aan de overkant van het asfalt.
Ik kruis een buurman die zijn hond uitlaat en glimlach terug. Ik hoor steeds meer vogels zingen en van de ene naar de andere boom fladderen. Het dorp valt weg.
Ik adem.
Zaterdagochtend in de velden. Het is koud, maar de zon schijnt. Er is geen wolkje aan de lucht. Ik krijg zowaar zin om een sprintje in te zetten. Zomaar. De benen strekken, opwarmen, lam lopen. Mijn handen willen uit mijn jack, omhoog, zo ver mogelijk, in een poging het blauw boven me aan te raken. Ik begin te slalommen op de betonbaan en gil de longen uit mijn lijf. Een waanzinnige vogel met het zot in de kop. Daar ga ik dan. Ik stijg op. Hoog. Steeds hoger.
Even verderop moet ik op adem komen, maar ik voel me warm vanbinnen. De warmte straalt van mijn romp naar mijn ledematen. Van mijn kruin tot de tippen van mijn tenen.
Ik loop van de betonbaan de berm in. Met een sprong wip ik over een stukje prikkeldraad heen die een boer lang geleden opgespannen heeft. Daarna gaat het steil naar beneden. Ik moet opletten – kleine pasjes – maar het lukt. Luttele seconden later sta ik naast mijn bestemming.
Binnen zo’n vijf minuten komt de trein eraan. Ik leg me netjes op de sporen. Een rail in mijn nek en één onder mijn knieën. Ik zie de blauwe lucht en één – twee, drie… vier vogels overvliegen.
Het is een mooie dag.