Categorieën
Fictie

Spoor bijster

Spoor bijster

Patrick ontwaakt beter dan hij slaapt. Al drie jaar lang. Zoekend landt zijn hand op het koude kussen naast hem. Judith kijkt hem vanuit haar fotolijstje lachend aan. Dinsdag 24 januari 2017. Vandaag is het dertien-honderd-acht-en-tachtig kwade dagen geleden. Hij bijt op zijn bovenlip en sluit zijn ogen.

De dagelijkse film begint. Judith zou die dag geopereerd worden. Een routineklus, had de chirurg gezegd. Traumabioscoop. Patrick ziet zichzelf in de wachtkamer van het ziekenhuis. Door het glas van de wachtkamer ziet hij de chirurg, Marinus Burlage, met korte zekere passen zijn richting oplopen. Een vijftiger. In zijn hand draagt hij een opvallende, langwerpige zwartleren dokterstas, met barnstenen sluiting. Als hij tot stilstand komt, wappert zijn jas na. Patrick springt op.
‘Mijnheer Van Wijk’, begint de chirurg, ‘er hebben zich ernstige complicaties voorgedaan…’ Dan spoelt de film snel door. ‘Maar ja,’ vervolgt de chirurg met een nauwelijks waarneembaar glimlachje, ‘..dat kan gebeuren hè?’ Patrick opent zijn ogen. De woorden schieten als zilveren kogels in een flipperkast zijn kop in.
‘Dat kan gebeuren hè, dat kan gebeuren hè? Ze is dood!’, schreeuwt Patrick. ‘Ze is dood , godverdomme!!! Ze is alles wat ik heb!’
Dan wordt het donker in de bioscoop en als het licht weer aanfloept ziet hij Marinus, de chirurg, vrolijk lachend met de verpleegsters grapjes maken. Eén geeft hij lachend een klap op haar billen. Judith, het liefste en enige dat hij bezat, gewoon weggelachen. Doodgelachen. En nu, zelfs na jaren therapie, wil de woede maar niet weg.
‘Ik hou van jou’, murmelt Judith in zijn binnenoor.

Hij staat op. Net als elke eenzame ochtend opent hij de kastdeur tegenover het bed. Naast zijn broeken hangen dode jurken aan levenloze hangertjes. Hij streelt haar favoriete rode jurk met het witte kraagje en duwt zijn neus diep in de stof. Geen spoor te vinden. Ze is er niet, maar ook nooit meer weggeweest. Opruimen gaat niet, mag niet, kan niet. Hij legt de jurk op het opengeslagen bed en trekt zijn pyjama uit. Zijn oren houden heel even, alsof het een weigering is, het witte, net iets te smalle kraagje tegen. Dan valt de dode jurk ruisend over zijn naakte lichaam en wordt levend. Zijn vingers strijken liefdevol over zijn buik en heupen en in de lange passpiegel aan de binnenkant van de openstaande kastdeur ontmoet hij haar. Zijn hart bonkt. Minutenlang staat hij de voor de spiegel en proeft de zilte zee op zijn lippen. Met zijn armen in kleermakerszit trekt hij de jurk over zijn hoofd en hangt de reukloze Judith terug op de hanger. De kastdeur klikt.
Patrick zet thee, eet haastig een halve boterham met Rinse appelstroop en doucht. Hij voelt de hamerende harde hete speldenprikken op zijn huid. Dicht tegen elkaar onder de hete douche streelt hij Judith’s natte haren en kust haar liefdevol in haar nek. Als hij de douchekraan dichtdraait verdwijnt ze. Met de klamme handdoek om zijn heupen geknoopt schrijft hij met grote hanenpoten ‘Dies Irae’ in het condens op de spiegel boven de wastafel. Zonder haar geen leven. Hij pakt het scheermes met ivoren heft van het planchet en klapt het open. Hij kijkt met een raar soort verlangen naar het uitgeklapte staal.
‘Vandaag!’, belooft hij de spiegel, met schorre stem.
Het mes fonkelt vol verwachting als hij het tegen zijn pols houdt. Er verschijnt een druppel bloed om de hoek van het lemmet. Een donkerrood krasje. Dan klapt hij het mes in, hoest de schorheid weg en loopt de huiskamer in.
Op de eetkamertafel staat een langwerpige, zwartleren dokterstas, met barnstenen sluiting. Op een veilingsite popte na lang zoeken opeens de tas op. Er zijn er maar twee van gemaakt, vertelde de veilingmeester. Voorzichtig legt hij het scheermes in de tas naast de rol duct tape, hamer, handboor met boor nummer 24, korte zaag en een gisteren gekocht, gloednieuw glanzend hakmes. Hij kleedt zich aan.
‘Ach, stom’, mompelt hij. Komt terug in de kamer, neemt al lopend een slok thee, pakt het scheermes weer uit de dokterstas en stopt het in de binnenzak van zijn dienstcolbertje. De linker binnenzak, want hij is rechts. Hij weet niet waarom hij schrikt van het rode standby-lichtje van de TV. Zo’n infraroodlichtje dat sluipschutters op het vizier van hun geweer hebben. Het zal de spanning zijn. Judith grinnikt zachtjes.

Sinds een paar maanden werkt hij weer. Door concentratieproblemen jammer genoeg niet meer als wiskundeleraar op het Alberdingk Thijmcollege, maar als conducteur bij de NS.
Op tafel ligt de weekuitdraai van het NS-rooster open op vandaag. Spoor 1a. 8.57uur. Intercity Groningen. Patrick neemt zijn zwarte regenjas van de kapstok en pakt de dokterstas. Hij laat de huissleutels op het kastje in de hal liggen en trekt de buitendeur achter zich in het slot. Geen weg terug. Het miezert als hij op zijn fiets stapt. Judith lispelt lieve woordjes in zijn oren. Vandaag klopt alles.

De intercity staat er nog niet. Hij loopt tot waar het voorste deel van de trein ongeveer zal stoppen. In de verte ziet hij de koplampen van de trein opdoemen. Hij twijfelt. Hij kan gewoon weglopen, zijn fiets pakken en weer terug naar huis rijden. Maar de huissleutel ligt binnen op de kastje in de hal.
‘Patrick…’, fluistert Judith met een zweempje ongeduld.
Om hem heen ontstaat beweging en als de trein eenmaal stilstaat en de deuren open klappen, wacht Patrick tot de trein zich leegt en weer vult. De conducteur waarvan Patrick de dienst overneemt groet hem kort. Knikje. Dan stapt Patrick in de drukke trein. Uit zijn dienstcolbert haalt hij de conducteurssleutel, prikt hem in het sleutelgat rechts van de deur, draait hem naar rechts, steekt zijn hoofd naar buiten, links, rechts, drukt met zijn middelvinger kort op de blauwe knop en de deur sluit zich. De sleutel glijdt routinematig in zijn zak. Patrick loopt naar voren en nadat hij een verwarde dame in karmijnrode jas heeft gepasseerd, staat hij stil voor de deur van de machinist. Zijn hartslag botst tegen zijn slapen. Hij kan niet bewegen.
‘Doe het!’, gebiedt Judith.
Patrick maakt zich groot, haalt diep adem en geeft als waarschuwing twee ferme kloppen op de deur. Dan opent hij de deur met de conducteurssleutel. Heel veel licht.

‘O hallo’, roept een jonge vrouw vanaf de machinistenstoel, terwijl ze zich omdraait. Jij moet Patrick zijn!’ Hij knikt bevestigend.
‘Welkom, ik ben Anne!’. Ze is midden twintig en haar blonde krullen maken haar ongewenst zachtaardig, mooi en kwetsbaar. Anne drukt wat knoppen in op het bedieningspaneel en schuift een zwarte handel met glanzende knop naar voren. Langzaam zet de trein zich in beweging.
Patrick zegt niks. Hij kan Annes warmte voelen nu hij achter haar staat en heel even probeert hij haar geur te vangen.
Anne schuift zonder om te kijken met haar rechterhand een thermoskan naar achteren over de machinistentafel.
‘Koffie?’
‘Straks’, zegt Patrick, terwijl hij de knop van de intercom op ‘on’ zet.
Dan zet hij met een iets te harde klap de langwerpige zwartleren dokterstas, met barnstenen sluiting, op de machinistentafel. Judith lacht. Anne schrikt ervan.
‘Hé da’s toevallig, mijn vader heeft precies zo’n tas’, zegt ze verbaasd.
‘Dat weet ik,’ zegt Patrick.

Zijn rechterhand verdwijnt in de linker binnenzak van zijn dienstcolbert.

EINDE