Categorieën
Fictie

Solliciteren

Pling. De liftdeur schuift open en daar sta ik. Oog in oog.
‘Mijnheer van Baarsbergen,’ zeg ik.
Hij rimpelt zijn neus, fronst dan zijn wenkbrauw. ‘Kennen wij elkaar?’
‘Ik kom solliciteren,’ zeg ik, ‘we hebben een afspraak.’ Gelukkig heb ik hem gegoogeld, anders had ik zijn gezicht niet herkend.
‘Aha natuurlijk,’ zegt hij, ‘de P&O-vacature, u zat vast in de lift. Erg vervelend, excuses voor het ongemak, aangenaam, mevrouw…’
‘Donker. Jolien Donker.’
Gedachteloos steek ik mijn rechterhand, die ik onder mijn jas verborgen hield, naar hem uit. Nee!!
Terwijl ik mijn hand vooruit zie gaan, trek ik hem al terug. Hij heeft het niet gezien, denk ik..
In een flits stop ik mijn hand terug onder mijn jasje. Mijn mond begint een excuus te mompelen. Maar net daarvoor, in een fractie van een seconde, zag ik het. Zijn neus rimpelde. Hij rook het.
Mijn gezicht vertrekt in de onsuccesvolle poging een glimlach te produceren en ik zeg schor: ‘Sorry, ik moet heel even… mijn handen wassen. Waar zijn de toiletten?’
‘Daar,’ wijst hij.
‘Bedankt,’ zeg ik snel en ren bijna die kant op, voor hij iets kan zeggen of opmerken. Ik voel zijn blik op mijn rug branden. Wanhopig klem ik mijn vingers bij elkaar en maak een kommetje van mijn hand, zodat er geen druppels op het beige tapijt vallen om een Hans en Grietje-kruimelspoor van bruine vlekken achter te laten.
Ik zou mijn linker nier geven om vijf minuten terug in de tijd te gaan. Vijf minuutjes maar, dat kan toch wel, universum?
Terug naar vijf minuten geleden, naar dat moment waarop ik dit prachtige spiegelende gebouw binnenkwam, door het meisje bij de receptie naar de lift verwezen werd, ik in die lift stapte en op de knop voor de 20e verdieping drukte. Stop! Ik wil die lift niet in. Hou de deuren tegen, laat me eruit!
Met een vriendelijke ‘pling’ sluiten de deuren en zoef ik omhoog. In de spiegel zie ik mezelf. Hopeloos. Een krampachtig professioneel gezicht, iets te rode wangen, hoog opgetrokken schouders. Ontspan!
Ik haal diep adem, drie keer achter elkaar. Chill eens een beetje! Maar dat is moeilijk; dit is de eerste uitnodiging voor een echt gesprek sinds drie maanden. Personeel en Organisatie-adviseur bij deze topverzekeraar, dat zou mijn gedroomde baan zijn.
Het is een kans. Nee, een venster op een ander leven. Een deur naar een niet-werkeloos leven, een leven met uitzicht, niet meer eindeloos op een te dure maar te kleine kamer uit het raam staren, weer wat geld krijgen, weer iets leuks gaan doen. Dit mag ik niet verprutsen.
De verdiepingen gaan snel voorbij. 5, 6, 7
De spanning trekt mijn maag samen. En niet alleen dat. Ik voel een kramp onderin mijn buik. O nee, ik moet poepen.
Dan knippert het licht. Aan, uit. Nog een keer aan, weer uit. We zijn op de achtste. En de lift geeft een schurend geluid. Gaat hij ook langzamer, of niet?
Weer flikkert het licht. En zonder waarschuwing, zonder wat dan ook, stopt de lift. We hangen stil. Volgens de verlichte cijfers tussen de negende en tiende verdieping.
Stil is het opeens. Doodstil. Behalve bij mij van binnen.
Dit helpt niet tegen mijn stress. Integendeel. Mijn hart slaat zo luid dat het buiten de lift te horen moet zijn. Ik hijg alsof ik net negen trappen opgelopen ben. Mijn knieën trillen, ik moet me aan de wand vasthouden om niet te vallen. En ik moet POEPEN!
Paniekscenario’s schieten door mijn hoofd. Rustig blijven, ik moet rustig blijven. Doorademen. In-uit. Ai, kramp. Mijn buik trekt samen als een ballon die dichtgeknepen wordt. Ik knijp zelf ook uit alle macht om het tegen te houden. Auw!
De lift hangt bewegingloos. Ik druk op alle knopjes, inclusief de alarmknop. Er gebeurt niks. KUTLIFT!
Afleiding. Wat kan ik doen? De telefoon, bellen, natuurlijk! Ik pak mijn roze telefoon en druk het nummer van de buitenlijn. Het enige nummer dat ik van dit bedrijf heb.
‘Met de receptie van Hodders & Thoughton goedemorgen. Wat kan ik voor u doen?’
‘Ja met Jolien Donker. U hebt me net de weg gewezen naar de 20e verdieping, weet u nog? Ik ben de sollicitante.’
‘Ja, mevrouw Donker, ik weet het nog. U bent toch niet nog in de lift?’
‘Toevallig wel. Hij is gestopt tussen de negende en de tiende. Weet u wat er aan de hand is?’ Mijn stem klinkt schriller dan ik wil.
‘Oei. We hebben een probleempje met de lift, er is een noodstop. Wat vervelend dat u er nog in bent.’
WHAT THE FUCK! ‘Een noodstop, wat betekent dat?’
De receptioniste lacht een beetje nerveus. ‘Tsja, dat weet ik ook niet precies, ik kreeg een melding dat de lift het niet meer doet, en dat heet een noodstop. Ik heb natuurlijk al gebeld. De monteur is onderweg.’
Ik blijf kalm. Ik blijf kalm. ‘Onderweg, dat is goed. Hoe lang duurt het denkt u?’
‘Dat kan ik niet zeggen. Hij moet uit Montfoort komen, dus dat is wel een halfuurtje rijden denk ik. Maar hij is wel onderweg, dat hebben ze gezegd.’
Een halfuur. ‘Dank u wel. Geeft u aan meneer Baarsbergen door dat ik wat later ben?’
‘Heb ik al gedaan.’ Ze klinkt opgelucht. ‘En ik stuur de monteur meteen door hoor, als hij er is. Zal ik u dan bellen? Dat weet u het als hij er is.’
‘Ja graag,’ zeg ik met opeengeklemde tanden . ‘En bedankt.’
Een halfuur. Het had net zo goed een halve eeuw kunnen zijn.
Ik bijt op mijn tong. Knars mijn kiezen. Knijp mijn billen. Maar ik ga het niet redden. Niet een halfuur, niet een kwartier, zelfs geen minuut meer. God-ver-dom-me.
Ik rits mijn tas open. Ik pak het pakje zakdoeken, shit, er zitten er nog maar twee in. Alle ellende komt ook altijd tegelijk.
Ik vouw de zakdoekjes open, leg ze overlappend op de liftvloer en stroop mijn broekje naar beneden. Goddank heb ik een rok aan. Ik hurk boven de zakdoeken. Hangt de lift stil? Of verspringen de cijfers weer? Pfoei, het blijft stil en onbeweeglijk. Niet dat het me trouwens nog heel veel uitmaakt. Ik hang boven de zakdoeken en laat het lopen.
In één keer komt alles eruit. Twee, drie krampen nog, dan is alles leeg. En de zakdoeken vol. God wat stinkt het.
Geen zakdoekjes meer. Hoe moet ik me afvegen? Met mijn broekje dan maar. Yegg, wat voelt dat goor.
Ik dep me zo kwaad als het gaat schoon. Vouw het broekje in elkaar en stop het onderin mijn tas. Het voelt alsof ik van onder tot boven onder de smerigheid zit. Ik kom overeind. De stank lijkt staand nog erger. Nu opruimen, maar hoe?
Het noodlampje geeft net genoeg licht om te zien dat de zakdoeken vol zitten. De poep is niet over de randen gegaan, dat is het goede nieuws. Maar het is dus wel een flinke hoop. Hoe pak ik die op?
Mijn telefoon rinkelt. Op het schermpje zie ik het nummer van de receptioniste. Zou de monteur er al zijn? Ik neem nu even niet op.
De lift zoemt. Het licht springt aan en we komen in beweging. We gaan omhoog. De lampjes verspringen van 9 naar 12, naar 15. Kutkutkut.
Ik pak de zakdoeken bij de punten vast. Vouw ze zo ver als het gaat naar elkaar toe. Dan schuif ik mijn rechterhand eronder –warm, vochtig – niet nadenken. Ik til het pakketje op. Hou het stil, niet knijpen, en laat het ook maar in mijn tas zakken. Hopelijk is die waterdicht. Het lampje boven de lift geeft 20 aan. De lift zoemt en stopt.
Ik doe nog net mijn vieze hand onder mijn jasje. Jasses, je ruikt het wel heel erg.
Pling. De liftdeur opent. O, er staat iemand voor me. Ik ga dood. Ik ben hier niet, niet nu, laat me van de aarde verdwijnen.
‘Mijnheer van Baarsbergen,’ zeg ik.