Categorieën
Fictie

Sneeuw in Manhattan

Eindelijk zullen we gelukkig zijn, dacht Jessica.
We wisten niet wat geluk was, Jess, dacht Cristian op datzelfde moment. We wisten het niet en toen we ernaar op zoek gingen, verloren we elkaar.
Jessica keek naar de stad beneden haar, streek even met haar vingers over het kettinkje om haar hals, voelde tranen opwellen. Tranen van geluk? Als ze haar best deed en terugdacht aan de momenten dat ze hier samen waren geweest en over de toekomst hadden gefantaseerd, kon ze in die stadse wildernis in het dal nog steeds flarden van die andere stad ontwaren, een glazen stad die de wolken aanraakte en die in het water van de rivier haar volmaakte spiegelbeeld blootlegde. Terwijl ze daar zo stond, met achter haar het nevelwoud en de eetstalletjes en in de diepte de ronkende motoren van aftandse lijnbussen, de karren die de wegen versperden en de muren vol prikkeldraad en glasscherven, zag ze hoe sneeuwvlokken de straten van die andere stad van een wit laagje magie voorzagen. Ze zag hoe een jongetje met een wollen muts op zijn hoofd zich naar haar omdraaide en haar een glimlach bezorgde die haar van binnen deed gloeien. Ze zag een slee die een spoor door de verse sneeuw trok. Ze zag een man die de slee trok en toen ook hij zich naar haar omdraaide, zag ze dat het Cristian was.
Wat is het eigenlijk vreemd, besefte Cristian, terwijl hij in gedachten naar de stad reisde waar Jessica op datzelfde moment vandaan probeerde te vluchten, dat een mens in oorlogstijd kan verlangen naar eerder uitgevochten oorlogen, dat een mens met nostalgie terug kan kijken op die stad in het nevelwoud waar een mensenleven niet veel meer waard is dan een nummer in de lokale krant. Maar waar hij nu was, was hij zelfs geen nummer meer. Hier was hij niets.
Niets had Jessica de afgelopen dagen van hem gehoord. In zijn laatste bericht had hij haar geschreven dat hij bijna in de woestijn was aangekomen. Dat hij haar zou bellen zodra hij aan de overkant was. Dat ze zich geen zorgen om hem moest maken. Dat ze eindelijk gelukkig zouden zijn. En nu ze al een aantal dagen niets meer van hem had gehoord, klampte ze zich vast aan die woorden en zocht ze naarstig naar de logica achter de waanzin. Hij reist nu door de woestijn en daarom heeft hij geen bereik, stelde ze zichzelf gerust, terwijl de eerste traan over haar wangen rolde. Hij heeft geen bereik en de batterij van zijn telefoon is leeg. Natuurlijk. Dat is de enige mogelijkheid. Maar vroeg of laat zal hij bellen. Ze wist het zeker.
Het enige wat Cristian zeker leek te weten, was dat hij niet alleen was. Ze waren met tientallen zelfs. Tientallen lichamen die zich allemaal in die wereld tussen het leven en de dood bevonden en die allemaal niet meer wisten of ze buiten de muren van de binnenplaats nog wel bestaansrecht hadden. Tientallen bruinverbrande koppen met donkere ogen die schichtig de bewegende schaduwen op de grond volgden en met een al net zo donkere haarbos, waardoor ze allemaal wel familie van elkaar leken, maar waardoor hij tegelijkertijd het onbehaaglijke gevoel kreeg dat hij eigenlijk gewoon naar zichzelf aan het kijken was, dat hij in werkelijkheid omringd was door tientallen spiegels. Dat hij eigenlijk gewoon alleen was.
Sinds ze alleen was achtergebleven, had Jessica regelmatig teruggedacht aan het afscheid op het busstation, toen hij in een van de bussen naar de grens was gestapt. Samen waren ze het lot tegemoet gegaan. Wat had hij tijdens het afscheid allemaal tegen haar gezegd? Het is een tijdelijk afscheid. Ja, dat had hij gezegd. En we zullen elkaar snel weer zien. Zodra ik werk heb gevonden, kom je ook. Ik hou je op de hoogte. Ik hou van je. Opnieuw streek ze over het kettinkje om haar hals, terwijl een van de tranen zich van haar gezicht losmaakte en op de grond in stukken brak.
Ze hadden hem gebroken. Met een riem geslagen. Gedreigd zijn familie iets aan te doen. Haar iets aan te doen. Ze hadden hem alles afgepakt. Zijn telefoon. Zijn waardigheid. Ze hadden hem alles afgenomen, behalve het kettinkje dat hij nog altijd in zijn broekzak bewaarde. Zijn amulet. Onderweg had hij moed weten te putten uit het kettinkje, waar niet alleen een kruisbeeldje aan bungelde, maar ook de eerste letter van haar naam. Hoe vaak had hij er tijdens de tocht over de grensrivier niet even met zijn vingers over gestreken, alsof het niet om een kettinkje ging, maar om haar ontblote bovenlijf? Hoe vaak had hij het niet tevoorschijn gehaald toen hij overmand door angst op de rug van het Beest had gezeten, de trein die hem van het woud naar de woestijn had gebracht? Hoe vaak…? Ineens werd hij opgeschrikt door het geluid van botten die kraakten, van een lichaam dat knakte, als een twijgje aan een boom. Het geluid kwam van de binnenplaats. Met moeite sleepte hij zijn lijf naar het enige raampje in het vertrek, dat uitzicht bood op die godvergeten binnenplaats van dat godvergeten landgoed ergens in die godvergeten woestijn.
De door God vergeten stad in de diepte, die stad die rijk was geworden in de hoogtijdagen van de bananenindustrie en later in een gevangenis was veranderd, leek voor haar ogen opnieuw op te gaan in die andere stad, die stad waar ze met z’n drieën —zij, Cristian en het jongetje met de wollen muts op zijn hoofd— door een sprookjesachtig sneeuwlandschap naar huis liepen
en hij merkte op hoe aan de andere kant van het traliewerk een jongen met geweld naar het midden van de binnenplaats werd gesleurd, een jongen die zo veel op hem leek dat hij niet wist of hij op dat moment enkel een toeschouwer was of veel meer dan dat en terwijl hij zag dat de jongen angstig zijn blik op hem richtte, stelde hij vast dat er plotseling een ijzige wind was komen opzetten,
maar ze droegen sjaals en ze waren al bijna thuis, waar ze bij het haardvuur warme chocolademelk zouden gaan drinken en ze huilde, ondanks dat ze gelukkig dacht te zijn,
en in de ogen van de jongen las hij dat geluk niet meer bestond, want ze duwden hem op de grond, ze sloegen hem en met hun voeten
sleepten ze door de sneeuw, maar ze waren er bijna, het zou niet lang meer duren en ze kon de geur van chocolademelk en zelfgebakken koekjes al bijna ruiken,
die misselijkmakende geur van benzine uit jerrycans die ze over hem leeggoten en hij keek omhoog, zag hoe donkere wolken zich boven de woestijn samenpakten,
en ook zij keek omhoog, terwijl haar tranen zich met de sneeuw vermengden tot smerige drab, zag de lichtjes van de gebouwen die tot aan de hemel reikten, staarde vol ontzag naar de lichtjes, die fonkelden als sterren, steeds feller,
tot het vuur de hemel in een oranje gloed hulde en zodra de vlammen aan zijn lichaam begonnen te vreten, voelde hij dat hij had verloren, dat hij haar nooit meer zou zien, dat zij voor altijd naar hem op zoek zou blijven, en vol ongeloof staarde hij naar de eerder loodgrijze, maar nu oranje lucht boven hem,
een lucht die ook zij zag toen ze besefte dat alles een leugen was geweest, een luchtspiegeling, en dat ze zich nog steeds op dezelfde plek bevond, met achter haar het nevelwoud en in de diepte de stad die ze al haar hele leven haatte

waar ben je toch?

‘Huil maar, meisje.’ Haar moeder stond achter haar, legde een beschermende hand op haar schouder, drukte een kus in haar nek. ‘We zullen hem vinden, meisje. Straks gaan we naar de politie om zijn vermissing door te geven. En daarna zul je moeten wachten, hoe moeilijk dat ook is. Maar vroeg of laat zullen we hem vinden. Ik weet het zeker.’ Jessica draaide zich langzaam om, keerde de stad in de sneeuw voor altijd de rug toe, streek over het kettinkje om haar hals, omhelsde haar moeder vol overgave, veegde de tranen uit haar gezicht, liet haar moeder weer los, wreef even over haar buik, bedacht dat ze nog twee maanden moest en besloot dat ze er alles aan zou doen om de waarheid te achterhalen.
En op datzelfde moment vielen uit de loodgrijze hemel boven de Mexicaanse woestijn de eerste sneeuwvlokken van het jaar. Een wit laagje magie dat alles bedekte, alle sporen uitwiste, alsof er niets was gebeurd. Maar ooit zou de sneeuw smelten en zou alles weer zichtbaar worden. Ook het kettinkje, waar niet alleen een kruisbeeldje aan bungelde, maar ook de eerste letter van haar naam, dat nu ergens in dat sprookjesachtige sneeuwlandschap begraven lag.