Categorieën
Fictie

Shaqeels pact

Aandachtig luister ik naar het gehuil van de wolven, ze zijn niet meer ver weg. Net buiten de lichtcirkel van het kampvuur, stampt een van de paarden nerveus voor het naderende onheil. Ingespannen luister ik naar het donker. Ik werp een snelle blik op mijn broer die naast het kampvuur ligt. Zijn ogen zijn opengesperd. Kleine zweetpareltjes schitteren op zijn voorhoofd. Onze nerveuze paarden verstoren de stilte met hun gestamp en gebries. Dan hoor ik een tak knappen. Verschrikt kijk ik om. Twee glinsterende gele ogen kijken mij strak aan. De witte tanden van de wolf glinsteren in licht van de vlammen. Verstijfd van angst staar ik naar het reusachtige beest. Ik klem mijn zwaard nog beter in mijn hand, maar ik verroer me niet. Een schelle hinnik haalt mij uit mijn trance. Ik hoor het knappen van tuig, het vallen van hout en het getrappel van hoeven. Het dichtklappen van kaken met een harde klap. Met mijn ogen probeer ik in het duister te zien wat mijn oren al hebben geregistreerd. De paarden zijn weg, de wolven ook. Onze enige kans om met onze handel bij het volgende dorp aan te komen is verdwenen. Mijn ogen zoeken naar de wolf die mijn blik had gevangen. Het enige wat mijn ogen vinden is het duister van de nacht. In de verte hoor ik het gehuil van een wolf. In mijn verbeelding hoor ik het angstige gehinnik van onze stervende paarden.

Mik zit droevig naar de omgewoelde aarde te kijken waar de paarden hebben gestaan. Rondom ons kamp zijn overal sporen van wolven te vinden. De verschillende pootafdrukken laten zien dat het een grote troep wolven is. Het is beangstigend om te beseffen hoeveel geluk we vannacht hebben gehad. Ik ga naast Mik op de dikke stam zitten.
‘Kom broertje, hier zitten mokken heeft geen zin. Als we nu vertrekken zijn we vlak voor de schemering in de stad.’ Ik sla hem een keer op zijn schouder en sta op. Wanneer ik na een paar passen door heb dat Mik mij niet volgt blijf ik ook staan en draai ik mij om. ‘Kom op.’
‘Nee,’ zijn ogen blijven strak gericht op de omgewoelde aarde. ‘Wat wil je in de stad gaan doen? We hebben niks.’
Twijfelend blijf ik staan. ‘We kunnen paarden regelen, ik ken nog wel een mannetje.’
‘Ja vast,’ snuift Mik. ‘Ik ken die mannetjes van jou. Daar komt nooit wat goeds van.’
‘Niet zeuren en gewoon mee komen.’ Beveel ik Mik.
‘Shaqeel, je bent mijn vader niet. Ik blijf hier.’
Verbaasd kijk ik Mik even aan. ‘Nee ik ben onze vader niet. Ik ben gebleven toen moeder stierf.’ Ik knijp mijn ogen een keer samen. ‘En nu opschieten, anders halen we de stad niet voor de schemer invalt en zijn we wolvenvoer.’
‘Niemand heeft je gevraagd om te blijven,’ Ik schrik van de rancune in zijn ogen en stem. ‘Ik had het prima voor elkaar tot jij je ermee ging bemoeien. Ga maar lekker alleen, ik blijf hier.’
‘Nee,’ ik voel de stress over mijn rug kruipen. ‘Ik heb moeder belooft om voor je te zorgen. Je gaat met mij mee. Als je hier blijft laten de wolven niks van je heel.’ Ik probeer Mik zijn blik te vangen, maar hij blijft strak naar de omgewoelde aarde staren. ‘Wat is je plan als je hier blijft?’
‘Wachten op de karavaan waar jij je te goed voor voelde om je bij aan te sluiten. Zij gingen ook via deze route naar de stad, dat heeft de leider mij persoonlijk verteld.’ In de boom naast ons fladdert een kleine vogel weg. ‘Ik kan onderhandelen, zij kunnen mij meenemen.’ Hij haalt een keer zijn schouders op. ‘Dan zie ik je later wel weer.’
‘Het kan nog dagen duren voordat die karavaan komt. Als ze al via deze route komen ze kunnen net zo makkelijk van gedachten veranderd zijn.’ Ik zucht een keer. Mijn lichaam ontspant. ‘Kom we gaan samen naar de stad en kijken daar wel wat we doen.’
‘Er is nog een derde optie moeten jullie weten.’ Ik draai me om naar de krakende stem die achter mij klinkt. ‘Sorry, ik wilde jullie niet besluipen.’ Uit de bosrand komt een grijs mannetje gestapt. Zijn baard en lange haren zitten warrig en hebben dezelfde kleur als het volgepakte ezeltje dat hem volgt. ‘Ik wilde jullie ook niet afluisteren, maar stemmen dragen ver in een woud als deze.’
Ik kijk naar het mannetje. Zijn ogen staan helder en hoewel hij grijs is, schat ik hem minder oud dan dat een eerste blik doet vermoeden. Het mannetje loopt met een trefzekere pas naar ons dovende vuurtje en port het op. Zijn ezeltje volgt hem gedwee.
‘Kom, zit. Deel met mij een maaltijd, dan laat ik jullie de derde mogelijkheid weten.’
Mik is zichtbaar geïnteresseerd en draait zich om. ‘Mijn naam is Miquel en dat is Shaqeel.’ Zijn wenkbrauwen fronsen zoals hij vaker doet tijdens belangrijke onderhandelingen. ‘Wat is uw naam?’
‘Aah wat een beleefdheid jongen. De naam is Bram.’
Aarzelende ga ik aan de andere kant van het vuur zitten en volg het gesprek. Het klinkt logisch om een handelspost en herberg op te zetten tussen deze twee steden. Niet alleen maakt het het handelen makkelijker, maar de eigenaar van de herberg zal ook een boel winst maken. Aandachtig bestudeer ik het gezicht van mijn broer. Het is duidelijk dat hij het wel ziet zitten om op een plek te blijven hangen. Ik staar in de vlammen. Wil ik mijn reizende leven wel op geven.

Wanneerde maaltijd op is, zijn er voldoende ideeën om over na te denken. Bram staat op. ‘Goede heren, een ding is zeker. Als we hier blijven hangen worden we opgegeten door de wolven. We hebben een veiligere plek nodig om de nacht door te brengen.’
Ik open mijn mond, maar de woorden blijven achter in mijn keel steken.
‘Ik weet wat je wil zeggen,’ de man glimlacht vriendelijk. ‘Ik heb een beter plan.’
Zwijgend en zonder verdere vragen te stellen volgen we Bram en zijn trouwe ezeltje over de verlaten weg. Vlak bij de kruising met een wilgenbosje blijft hij staan. Zijn ogen staan vrolijk en er is duidelijk iets dat ik over het hoofd zie. Wanneerik nog een goed naar het bosje kijk zie ik een klein stenen huisje staan. Het is vervallen, maar het biedt bescherming voor de nacht. Naast mij staat Mik met een grote glimlach op zijn gezicht.
‘Dit kan de basis worden,’ zijn ogen hebben dezelfde twinkel die hij als kind had wanneer hij kattenkwaad had uitgehaald. ‘We moeten wat bomen kappen. Shaqeel dit is perfect. Ik droom al van een eigen herberg sinds ik Sonja leerde kennen.’
Ik slik een keer, dit is de eerste keer sinds twee jaar dat hij haar naam weer uitspreekt.
‘Goed,’ geef ik toe. ‘Maar, het op één plek blijven is niet wat ik wil.’
‘Het reizen is niet wat ik wil, niet wie ik ben. Shaqeel ik wil niet meer van plek naar plek trekken voor een beetje winst wat je dan gaat uitgeven aan vrouwen en drank. Ik wil een leven opbouwen op één plek.’
Ik bestudeer het gezicht van mijn broertje, hij is niet meer het jongetje van acht dat ik in hem zie.
‘Shaqeel ik wordt binnen kort 21. Ik zorg al voor mij zelfs sinds moeder ziek werd en jij niet thuis was om voor ons te zorgen. Ik weet wat er komt kijken bij het runnen van een herberg. Sonja’s vader heeft me veel geleerd.’
‘Het wordt tijd dat ik je los laat.’ Ik voel een traan op komen achter mijn ogen.
‘Ja dat wordt het, maar dat is nog geen reden om te gaan janken broer.’
Ik grinnik een keer. ‘Mag ik nog wel blijven voor de nacht?’
Ik zie de twinkeling in Miquels ogen, het is dezelfde als hij heeft in een onderhandeling. ‘Betekend dat dat je me hier in wil helpen?’
Ik knik een keer kort. ‘Voorlopig blijf ik op één plek.’