Categorieën
Fictie

Schrijnzeer

Ik probeer zo dicht mogelijk bij zijn poriën te komen wanneer hij slaapt. Het snurken zorgt voor beweging in zijn slappe wangen, ze trillen zachtjes heen en weer. De jukbeenderen, uitgewoond door de grootste, grove poriën, lijken mij iets te willen zeggen. Het is een starre man. Soms kom ik zo dichtbij hem dat ik mijn adem in zijn open mond blaas.

De zon schijnt op zijn gezicht. Hij slaapt in zijn grote rode stoel. Ik doe de gordijnen dicht en ga in zijn voortuin zitten. Ik kijk uit op de dijk, er varen kleine zeilbootjes langs en de hitte neemt langzaam af. Ik kijk op mijn horloge. Vier uur. Ondertussen bestudeer ik mijn handen. Ik leef niet genoeg. Hij voelt touwen in zijn handen. Maakt schootsteken, mastworpen in zijn hoofd, zegt hij. Ik ben een platte knoop. Moeilijk los te maken en bij kracht onbetrouwbaar.

Op de eerste dag liet hij mij een album zien: foto’s van zijn vrouw en zijn kind, foto’s van zijn vloot. Foto’s van een jonge, mooie man. Hij zei dat ik slechts een passant was, maar dat ik wel even mocht blijven. Ik vroeg waar zijn gezin was, hij zei dat ik mijn mond moest houden.

Een kreet. Hij is wakker en ik schoorvoet naar binnen. Half vijf. Ik pak zijn beademingsapparatuur en monteer deze mondig om zijn hoofd. ‘Het doet nu even pijn’, zegt hij en hij grijpt naar zijn hart. Ik zet thee in zijn keuken, hij ademt langzaam door en pakt een sigaret.

In mijn tweede week vroeg ik aan de buurvrouw of ze melk had. De zon stond hoog en er waren meer zeilbootjes dan ooit. Ze zei dat het goed was, wat ik deed. Ze gaf mij een pak melk en fluisterde dat zijn schrijnzeer nog wel even bleef.

Ik zet het kopje naast hem en ga op de bank zitten. Na drie weken vertelde hij over zijn aandoening. Ik zocht er naar op het internet, maar ik vond niks. Het hart is fragiel, zei hij, en de pijn onvermijdelijk.

Terwijl hij zijn mondkapje op zijn voorhoofd zet, de slang bungelend voor zijn gezicht, kijkt hij mij aan en begint hij te lachen. ‘Laten we even gaan wandelen.’ Hij legt zijn mondkapje neer en staat op, ik trek mijn schoenen aan en volg hem. Vijf uur. Voor de deur kijkt hij mij even onderzoekend aan en doet hij mijn blouse recht. En zo lopen we naar de dijk en kijken we uit op de brug.

In mijn vierde week besefte ik dat ik niet meer terug kon. Ik wilde weg, maar eenmaal thuis bleef hij spoken door mijn hoofd. Ik was niet zomaar een passant, dacht ik nog. Ik besloot de volgende dag weer terug te gaan. Hij lachte om mijn stilte en zei: verlaat mij niet.

We wandelen elke dag een vaste route. Ik vraag hem over zijn jeugd en vertelt hij over zijn schepen. Altijd 100 meter voor het bankje, aan het einde van de dijk, begint hij over zijn vloot. Soms verwart hij zijn oorlogsvloot met zijn vissersvloot maar we hebben afgesproken dat ik zwijg. Het duurt meestal een halve minuut, wanneer we op het bankje zitten. Langzaam leunt hij achterover en begint hij harder te ademen. Hij pakt mijn arm vast en zegt dat het pijn doet. Ik blijf rustig naast hem zitten en bestudeer zijn huid. Opgebouwd. Het lijkt alsof zijn cellen ook geen vrije keus meer hebben. Half zes. De aanval duurt nooit langer dan dertig minuten. Schrijnzeer, zes keer per dag. Af en toe komt er een dorpsbewoner langs, met hartelijke groeten en vriendelijk mededogen. Ik groet dan terug en hij blijft kreunen: dat het pijn doet.

Week zes en ik heb zin om mij te ontdoen van zijn leed en terug te fietsen naar de stad. Het einde van de zomer nadert en ik mag bijna weg. Ik denk dat hij het ook tijd vindt dat ik ga. Hij moppert veel. Ik zag hem één keer huilend, op het toilet. Hij vroeg mij om zijn geheim niet te verklappen. Ik weet niet of hij het tegen mij had.

Ik besluit vandaag tot zonsondergang te blijven. Na zijn aanval lopen wij terug naar huis en neemt hij plaats op het bankje in zijn voortuin. Ik kook voor ons en denk aan zijn vrouw en zijn kind. Misschien verliet zij hem door zijn aandoening, of is zijn aandoening daarna ontstaan. Ik kijk rond, ik onderzoek, probeer voorzichtig te vragen naar zijn gezin, maar wijzer word ik niet. De dokter komt in ieder geval al niet meer langs en de flessen zuurstof zijn al tijden leeg. Zijn schrijnzeer lijkt verankerd in zijn hoofd.

Zeven uur. Tijdens het eten geeft hij een briefje aan mij en vraagt hij vriendelijk of ik dit in de supermarkt in de grote stad wil hangen. Een advertentie. Man zoekt jongeman voor huishoudelijk hulp. Hij kijkt mij aan en zegt dat ik hem los moet laten. Een platte knoop, grapt hij nog. Ik neem het briefje aan en ben opgelucht, omdat ik weet dat ik niet meer terug hoef te komen.

We kijken nog tv en af en toe zie ik hoe hij zijn hart probeert vast te pakken. Rond acht uur wordt zijn hart groter, kwetsbaarder voor trillingen. Er dient dan bescherming geboden te worden, zegt hij. Na nog één sigaret en nog één verhaal over een verloren zeilschip begeleid ik hem naar bed. Ik moet wachten tot hij rustig ademt. Hij zegt: ik hoef mijn mondkapje niet op. Hij is trots, trots op ons en draait zich op zijn zij. Dan vraagt hij of ik nog even wil wachten. Ik wacht en vraag mij af of het tederheid is, wat hij zo mist. Ik zit op bed en kijk naar hem, langzaam kom ik dichterbij en voel ik dat ik hem in zijn nek wil kussen. Ik wil zijn verdikte huid verzachten en hem weer laten dobberen. Zijn hart schreeuwt. Ik besef dat ik niet heel veel toe te voegen heb. De klok slaat negen uur en ik ben slechts een passant.

Ik fluister tegen hem dat het goed komt en leg mijn hand op zijn borstkas. Hij valt in een diepe slaap. Ik loop het huis uit. Het is voorbij.

Fietsend over de dijk, terug naar mijn stad, vraag ik mij af of zijn aandoening ooit terug te vinden is op het internet en wie hem opzoekt als hij sterft.