Categorieën
Fictie

Scheurtje

Het is 10:05 uur en ik sta op het perron. Ik wil dat de trein met nummer 5184 straks komt. In die trein is een speciale stoel. Een blauwe. Ik zit daar altijd op. Ik zit altijd op die blauwe stoel. Het is mijn stoel. Soms komt er een andere trein. Met een ander nummer. Dat geeft niet. Maar dan mis ik mijn stoel.

In de verte zie ik gele lichtjes groter worden. De trein is er. Het is nummer 5184. Maar er zit een mevrouw op mijn stoel. Op mijn blauwe stoel in de trein. Op mijn stoel zit een mevrouw. Ik denk dat mijn stoel huilt. Stil maar. Het is te druk in de trein. Ik pak de paal beet en blijf de hele weg staan. Nu is de paal van mij. Mijn hand begint te zweten en het ruist in mijn hoofd.

Mijn knie kriebelt, maar ik buk niet. Er staat een meneer met een bril voor mij. Ook mijn haar kriebelt. Daar durf ik te krabben. Ik kijk de meneer met de bril niet aan. Hij ruikt zuur. Ik kijk wel naar links. De mevrouw op mijn stoel weet vast niet van het scheurtje in de stoel dat kriebelt aan je vingers als je erover aait. De mevrouw is wel heel knap, met een rode jas en zwarte haren. Ik kijk door de haartjes van mijn ogen. Dan krijg ik splinterogen. Zoals een havik. Ik zie alleen het scheurtje. Verder niets. Misschien is het niet erg dat zij een keer op mijn stoel zit. Maar niet elke dag. Morgen. Dan wil ik er weer zitten. Het zuur prikt in mijn neus. Ik beweeg me niet meer tot we bij mijn station zijn. Mijn station bij de dagopvang. Daar plak ik enveloppen dicht. Heel veel enveloppen. Ik mis mijn stoel. Morgen wil ik er weer zitten.

Ik heb mijn pyjama aan en ga snel in bed liggen. Diep onder de deken denk ik aan mijn stoel met het scheurtje er in. Aan de stoel in de trein. En ook aan de stoel bij papa en mama. Die heeft ook een scheurtje. Het doet pijn net onder mijn keel. Dat is het plekje waar de tranen zitten, maar ze komen nooit naar buiten. Ook niet toen deze kamer van mij werd. Mijn kamer was bij papa en mama. Maar mijn spullen zijn nu hier. ‘Dit is nu jouw kamer’, zei mama. Maar mijn kamer is bij papa en mama. Ik ben daar niet. Ik ben hier. Bij juf Saar.

Nu ben ik heel boos. Iedere dag dat ik niet op mijn stoel heb gezeten heb ik een broodkorstje bewaard. Ik stamp en breng mijn ontbijtbord en koeienbeker naar de gootsteen. Ik heb al vier broodkorstjes. Mijn ogen zijn spleetjes. Juf Saar zegt dat ik onrustig ben. Ze is moeilijk. De meneer van gisteren was zo dik; ik kon mijn stoel bijna niet zien. En vóór de dag met de dikke meneer plakte een meisje kauwgom onder mijn stoel. Ik heb heel hard op mijn pink gebeten. Het deed echt pijn. Ik sta bij de gootsteen en wrijf over het korstje. Voor mij op het aanrecht ligt het heel erg scherpe mes. Die is van juf Saar. Ik mag het nooit, nooit pakken. Maar ineens ligt het in mijn hand. Het is heel glad en een beetje koud. Ik heb het nodig. Het mes zit in mijn tas.

Ik sta in de trein en kijk naar links, naar mijn stoel. Mijn stoel is nog leeg. Ik ben er bijna. Maar dan gaat er een meneer met rimpels op mijn stoel zitten. Hij kwam van de andere kant. De meneer ruikt heel warm en heel oud. Weet de meneer dat mijn stoel nu verdrietig is?

Ik aai zacht mijn stoel en wil er niet meer bij weg. Ik aai en aai de bovenkant. Dan het mes in mijn tas. Die heb ik nodig. Ik wil bij het scheurtje een stukje uit de blauwe stoel snijden. Niemand die het ziet. Heel voorzichtig. Een mes is scherp. Ik wil een stukje stoel voor thuis in mijn bed. Ik wil vragen of ik op mijn stoel mag zitten. Maar ik durf niet.

Ik wil nu echt vragen aan de meneer of ik op mijn stoel mag zitten. Maar ik durf niet.

Nu moet ik het echt vragen, mijn stoel huilt. Ik ben zo dichtbij. Ik maak mijn tas open om het mes te pakken. Ik zeg tegen het gezicht met de rimpels ‘meneer, mag ik alstublieft…’. Maar ik zag niet dat de trein al bij mijn station is. Ik zweet en zweet nog meer en ren de trein uit. Mensen botsen tegen mij aan. Ik mis mijn stoel. Het mes blijft in mijn tas.

Ik zet mijn ontbijtbord en koeienbeker op het aanrecht en ik tel vijf broodkorstjes. Dat is teveel. Nu ga ik een stuk van mijn stoel mee naar huis nemen. De stoel is dan kapot, maar hij is niet verdrietig meer. Het mooiste stukje is dan bij mij. Met het scheurtje. Wanneer ik wil, kan ik het aaien.

Er gaat iets mis. Het is niet druk in de trein. Maar de knappe mevrouw met de rode jas zit op mijn stoel. Alweer. Ze doet het expres. Er zijn veel stoelen leeg. Ik heb vijf broodkorstjes. Ze mag niet op mijn stoel zitten. Ik sta stil bij de paal. Heel stil. Mijn hand houdt de paal vast en is wit. Heel wit. Alleen het korstje op mijn pink is rood. Ik heb ook een scheurtje. Ik wil het stukje van mijn stoel. Nu. Mijn tas glijdt van mijn schouder en de rits is open. Het mes glimt. Ik pak het en loop naar de mevrouw. Ze moet niet op mijn stoel zitten. Ik zit op mijn knieën voor de stoel. De vloer van de trein is hard. Ik wil aan de mevrouw vragen of ik mijn stukje stoel met het scheurtje los mag snijden. Ik kijk haar aan; ze is toch niet zo knap. Ze heeft hele grote ogen nu. En haar mond is helemaal open. Er komt een hard geluid uit en ze duwt mijn hand weg. Mijn hand met het mes. Het maakt een kras in de stoel. In mijn stoel. Mijn ogen worden spleetjes. De mevrouw zit op mijn stoel en ze heeft ook een kras gemaakt. Ik duw het mes in haar been. Haar been die tegen mij duwde. In haar knie, en daaronder en daaronder. De mevrouw gilt en gilt. En ik snij mijn stukje stoel los. Alles is nu kapot. Iemand trekt aan mij en ik schuif over de vloer. Maar het stukje met het scheurtje zit in mijn hand. Er zit een beetje bloed aan van de mevrouw. De blauwe stoel huilt niet meer. Het is bij mij.