Categorieën
Fictie

Sanitair Suprême

Daar stond ik dan voor het laatste lege wc-hokje. Er was nog ruimte bij de pisbakken maar zelfs met vijf urinoirs op een rij urineert geen enkele vent met z’n broek op de knieën. Nee de truc is om zo goed mogelijk je lul te verbergen achter je gulp, mikken op de vlieg. Zeg maar niets tegen je buurman, hij vindt het namelijk ook geen fijne omgeving.
Want als iemand anders zijn leuter eruit hangt voor het dagelijkse deposito dan blokkeer ik. Misschien ken je het wel; sta je daar voor 10 minuten lang met je ogen dicht te denken aan de Niagara-watervallen. Verbeelding is de sleutel tot de wc-pot.

Ga altijd staan tijdens het plassen, want de wc-bril kan nog restjes kak bevatten van de voorganger. Eerst nog controleren of de deur wel echt op slot zit. Een wc-hokje is namelijk niet zo stabiel als het lijkt. Een kleine tik en je staat met je rug naar de toeschouwers.
Heb je ooit de deur per ongeluk open gemaakt terwijl iemand daar zat te ontladen? Dan begrijp je het niveau van ongemakkelijkheid dat eraan verbonden is. Bij meisjes is het nog beter. In plaats van dat je een verdachte rug ziet, kun je recht in de ogen kijken van het slachtoffer. Binnen een paar seconden zijn ze zo rood als een tomaat. Schreeuwend en tierend word je weggestuurd. Dan probeer je maar het hokje naast haar. Zeg maar niets meer, dat maakt het alleen maar erger.
Het wc-papier is op. Gelukkig heb ik nog een pakje zakdoeken bij me. Weer controleren of de deur wel dicht zit, dan de wc-bril schoonmaken met een zakdoekje. Broek naar beneden en omdraaien. Bij hoge uitzondering zitten. Want als je ‘misschien’ moet kakken dan kan je beter zitten. Niet erboven hangen, dat scheelt weer spierpijn aan de dijen. Lekker zitten, geen stress, dit is een veilige haven.

Althans dat denk ik, want nadat ik mijn toilet ritueel heb uitgevoerd besluit het geluid mijn oren weer te penetreren, jazz of shoegaze, een van de twee. Ik blokkeer, dan maar met de vingers in de oren. Iets gaat erin, iets gaat eruit. Mijn bekken in de juiste hoek zetten en drukken maar. Alsof je een kind krijgt, maar dan minder pijnlijk. Het is de bruine gelei, het einde van de eeuwige cyclus.
Tegelijkertijd laat ik ook maar mijn plasser gaan, ik ben toch bezig. De combinatie van beiden doet me denken aan hoe een vogel zijn kak deponeert op de niet-wetende voorbijganger.

Kijk altijd even hoe het ging, kijk naar je kak dan weet je of je gezond eet of niet. Een beetje smeuïg, het kan ermee door, misschien minder bier drinken. Of konijnenkeutels, drink ik wel genoeg water? Laatst hoorde ik van iemand die volledig witte kak had, ach ja, soms heb je dat. Gelukkig kan ik de stukjes sla van de caesar salade nog zien zitten. Misschien moet ik wat langer kauwen voordat ik begin met slikken. Ik prik er maar niet in, dan moet ik nog meer opruimen. Riskeer nooit stinkvingers, bacteriële infecties of wormpjes. Nee, liever draai ik er nog een.

Door een vlaag van exhibitionistische gevoelens verplaatst ik mijn hand onbewust naar de deurknop. ‘Zal ik hem open maken?’
Ik bespaar me deze ongemakkelijkheid door alvast de zakdoekjes uit mijn broekzak te halen. Ik heb er nog drie, hopelijk is het genoeg. Vegen, doe ik altijd met zorgvuldigheid. Ik bekijk altijd hoe vies mijn toiletpapier is zodat ik weet hoeveel ik nog moet vegen. Omvouwen, want we zijn zuinig. Broek omhoog en omdraaien. Van bovenaf bekijk ik hoe mijn creatie zich deze keer heeft ontvouwd. Cijfer? Een dikke acht. Jammer dat de doekjes iets te veel bedekken. Er zitten nog een paar spetters op de rand. Genoeg om het gehele palet te vullen. Het geel van mijn urine – dat erop duidt dat ik te weinig water heb gedronken, anders was het minder troebel – zorgt voor enkele high-lights; It’s A shitty Pollock baby.

Terwijl ik gefascineerd kijk naar mijn deposito hoor ik de buurman luid rommelen. Ik had gelukkig nog niet door dat mijn vinger tijdens het vegen mijn oren al hadden verlaten, oh wat ben ik zo heerlijk zen. De buurman is niet alleen, er is een gast uitgenodigd om zijn vierkante meter te delen. We zijn de enigen in de wc’s. Ik, mijn buurman, en diens gast.
De riem van de buurman wordt losgemaakt en de gesp wordt opengeritst. Het geluid van elk wc-bezoek, zoals het hoort. Door het smakkende geluid ben ik echter op mijn hoede. Dit kan niet het geluid zijn van iemand die geniet van een broodje kebab na het uitgaan. Dit is het geluid van twee speekselspieren die worstelen voor de romance.

Het geluid van de doorweekte tong is te herkennen aan het klotsende geluid van overbodig spuug. Dit hoort namelijk in de mond van de ander, zou je denken. We hebben een tong om zo dicht mogelijk bij elkaar te kunnen zijn. Een voorspel voor het in- en uitgaan. De strijd van onze krachtigste spieren. Het is niet raar dat we willen tongen, onze lippen zijn het zenuwcentrum van ons lichaam. We leren als kinderen ons speelgoed te identificeren door ze in onze mond te doen, op latere leeftijd missen we dit gevoel van ontdekking. Misschien vinden we daar de origine van het tongen?
Want als je dan klaar bent met tongen hoef je alleen nog maar te kijken hoe rood elkanders lippen zijn. Waar het bloed samenkomt vinden we snel onze weg naar het volgende zenuwcentrum.

Het fluisteren wordt steeds luider. Uiteindelijk zal ik moeten vertrekken uit mijn hokje, maar ik besef me dat ik nog heel eventjes wil blijven luisteren. De indringende geluiden zorgen ervoor dat mijn lang weggestopte hormonen uit hun holletjes tevoorschijn komen. De gevoelens die ik lang heb verdrukt voor een verkrampt ideaal; ‘volwassenheid’.
De akoestiek van de wc zorgt ervoor dat elke minimale ritseling hoorbaar is. Wanneer ik een warme vrouwenstem hoor, krampen mijn voeten samen. De vrouw fluistert lustig.

Ik ga zitten op de wc-bril, sluit mijn ogen en daag mezelf uit om mijn broek weer uit te trekken. De verleiding weet ik te weerstaan, een nieuw idee borrelt op.
Even spieken kan nooit kwaad, ik zet de deur op een kier zodat ik snel weg kan. Ze zijn toch zo intens bezig dat mijn gluiperige ogen waarschijnlijk ze niet zullen storen.
Klodders spuug druipen van de muur af, je ziet de waterdamp druppels op het plafond verschijnen. Ik krijg een druppel in mijn oog. Een pijn steekt door mijn hoofd, een traan verschijnt. Of is het de druppel?
Met wazige ogen klim ik op de wc; net als je op een trap stapt.
De eerste treden kraken maar de rest weet je met gladde sokken te doorstaan. Een moment glij je weg, klaar om naar beneden te vallen en je nek te breken. Dan herpak je jezelf.

Mijn ogen glijden langs de wanden van het wc-hokje, ik ben bijna boven.
Het wazige oog als eerst, schuin met de kop getild inspecteer ik de twee wazige figuren. Een duidelijke positie is niet te onderscheiden, een gevalletje zit op mij en hou me vast. Geen romantiek, slechts een korte intensieve overeenkomst tussen twee mensen. Mijn tweede oog is al onderweg en bereikt de top. Ik kan de gedaantes onderscheiden. Maar ‘meervoud’ zal de lading niet dekken voor wat ik zie. Een vleeshoop van onredelijke grootte friemelt lichtelijk erotisch over de wc-bril. Tentakels bestaande uit bloedproppen, hard geworden poep en restjes salami klotsen in het toiletwater. Zuignappen plakken aan elkaar door pus en speeksel. De imitatie van de tongzoen brengt het wezen voort door een potje duim-worstelen met botloze worstjes, of zullen vingers zijn? Een aantal gitzwarte ogen ontpoppen uit een vleeshoop dat als hoofd zou kunnen dienen. Enkele opgedroogde organen weten simultaan puistjes en blaasjes open te breken waardoor het een aanzienlijke hoeveelheid pus richting mij spuit. Ik weet eerst te ontwijken maar de gitzwarte ogen achtervolgen me, het zuigt me naar binnen en laat me een visioen zien; de cultivatie van onze uitwerpselen, het begin en het einde van de cyclus. Het wezen spreekt met de zwoele vrouwenstem:

“Lief mensenkind, tot nu toe had je het ongelofelijk gespeeld, er was nooit meer inteelt.
Je had een eigen harem, ongekend hoe men zijn billen streelt.
Ja, we zijn ietwat verveeld, misschien verdeeld, hebben niks te doen, zijn niet verzoend, onze erotiek gereduceerd tot slechts een laagje eelt.
Ik hoor je schreeuwen in de straat: ”nee ik ben geen gigolo, stel mijn prostaat niet openbaar, krijg geen geld als minnaar.
Toch help ik jou je zaad rond te spuiten, skeletten in baarmoeders op te wekken, de vleesgeworden kind scheppende boom uitlekken.
Ach, ach en wee mensenkind, heb geen verdriet en kom toch mee, naar de cumulatie van verloren zielen; als vleesdrollen op pelgrimstocht naar Gods wc.”