Categorieën
Fictie

Sandy & Stijn

Een virtuele knuffel aan jou

Er zal een dag komen
Dat we elkaar weer in de armen vliegen
Dat we elkaar weer kunnen omhelzen
Dat we niet langer meer bang zijn
Dat we tegelijkertijd met elkaar
Kunnen huilen en lachen
En vooral kunnen leven
Proosten op het leven

© Sandy

Tevreden kijk ik naar mijn Instagramgedicht. Met de caption “Omdat we nu allemaal een knuffel nodig hebben” post ik het op Instagram. De reacties stromen binnen. Een paar mensen reageren onder mijn post met opmerkingen zoals “Wauw!”. Anderen reageren met een simpel rood hartje. Heel even voel ik me geliefd door alle online waardering, maar wanneer ik de app afsluit, verdwijnt dit gevoel meteen.

Ik lig op bed. Mijn ogen dwalen rond door mijn studentenkamer. Op de grond liggen zoveel kledingstukken, plastic tassen en boeken, dat de vloer nauwelijks zichtbaar is. Op mijn bureau slingeren tientallen memoblaadjes, een paar opengeslagen schriften en twee pennen. Mijn kamer laat goed zien hoe ik me voel: een complete puinhoop.

De intelligente lockdown duurt nu bijna twee maanden, maar het voelt als een eeuwigheid. Aan het begin heb ik geprobeerd met mijn ouders, twee zusjes en broertje thuis te blijven, maar na vijf weken werd ik er knettergek van om constant op elkaars lip te zitten. Dus zit ik sindsdien alleen in mijn studentenkamer, waar ik uit angst voor het coronavirus heb ik drie weken geen mensen gezien. De eenzaamheid begint me nu op te breken.

Ik klamp met mijn rechterhand mijn telefoon vast, alsof het apparaat mijn reddingsboei is naar contact met de buitenwereld. Het notificatielampje brandt weer. Ik ontgrendel het scherm. Ik lees een privéberichtje van @stijnvanderwaals.

Hey Sandy!
Ik vind je gedicht “Een virtuele knuffel aan jou” echt goed geschreven! Ook heb ik net je video van je laatste woordkunst optreden gekeken, ik vind je echt goed. Ik wilde je dat even laten weten .
Groetjes,
Stijn (van de poëzieworkshop in de Nijmeegse bieb)

Mijn hart smelt. Wat een lief berichtje! Ik denk terug aan de poëzieworkshop van drie maanden terug, toen alles nog normaal was. We zaten met twintig jongeren in een vergaderruimte, waar de stadsdichter van Nijmegen ons de basis van poëzie bijbracht. Toen was Stijn de enige jongen tussen negentien dames, maar behalve dat gegeven was hij me verder niet opgevallen.

Scrollend door zijn Instagramfeed probeer ik een indruk van Stijn te krijgen. Zijn vriendenkring lijkt vooral te bestaan uit meiden. Zo te zien heeft hij ook opgetreden bij een paar evenementen. Ik lees de caption bij een foto waarop hij een boek vasthoudt.

Eindelijk heb ik mijn boek “Duizend kansen” gepubliceerd. Trots!

Deze jongen heeft gewoon zijn eigen boek gepubliceerd! Vol enthousiasme ga ik terug naar mijn Instagram DM en geef hem antwoord.

Hey Stijn!
Dankjewel, dat vind ik leuk om te horen! Ik zie trouwens op Instagram dat je je eigen boek hebt uitgegeven, heel gaaf. Waar kan ik een exemplaar kopen? Lukt het jou om te schrijven in deze tijd? 
Groetjes,
Sandy

We raken in gesprek over het schrijven zelf, onze optredens als woordkunstenaars en onze literaire ambities. Ik vertrouw hem toe dat ik er stiekem van droom om een bekende woordkunstenaar te worden. Dat zodra ik op het podium stap, ik me veel zelfverzekerder voel. Dat ik ervan geniet om in de spotlights mijn verhaal te vertellen, wat in scherp contrast staat tot mijn introverte aard. Zijn grootste droom is om uitgegeven te worden bij een gerenommeerde uitgeverij en te kunnen leven van zijn boeken.

“Schrijven geeft me de volledige vrijheid om met mijn woorden mijn eigen werelden te creëren,” stuurt Stijn.
Daar ben ik het helemaal mee eens.

De volgende dag ben ik bezig met het schrijven van een kort verhaal voor een schrijfwedstrijd. Fronsend kijk ik naar het beeldscherm. Ik ben er nog niet tevreden mee, maar ik weet ook niet zo goed wat ik moet veranderen. Maar misschien… wil Stijn me wel helpen. Ik betrap mezelf erop dat ik warm krijg van deze gedachte. Met zweterige vingers stuur ik hem een berichtje met de vraag of hij vanavond met me wil videobellen via Zoom om naar mijn verhaal te kijken. “Een beetje random hahaha, maar natuurlijk,” stuurt hij terug.

Vlak voor de Zoomcall heb ik mijn zwarte haren netjes in een hoge paardenstaart, heb ik mijn zilveren oorbelknopjes in, en draag ik mijn mooiste, rode jurk. De eerste indruk is ontzettend belangrijk, nietwaar?

Stijn verschijnt op mijn beeldscherm. Zijn uitstraling is ontwapenend, met zijn oprecht geïnteresseerde blik. Zijn lach is hartverwarmend, met zijn volle lippen en een kuiltje in zijn linkerwang. Zijn verschijning is netjes, met zijn donkerblauwe blouse met glanzende, grijze knoopjes.

Wauw.

Ik deel mijn verhaal via de screensharing functie op Zoom. Hij geeft me veel goeie suggesties, die ik direct in mijn verhaal verwerk. Met een tevreden gevoel mail ik mijn inzending voor de schrijfwedstrijd. We blijven in de Zoomcall met elkaar praten, en het gaat niet langer alleen maar over schrijven. We vertellen elkaar onze gekste anekdotes, discussiëren over de politiek en bedenken wat we als eerste zouden doen als alles weer normaal zou zijn. Het voelt alsof we elkaar al ons hele leven kennen.

We videobellen elkaar de daaropvolgende dag ook. En de dag daarna. En ook de dag daarna. Ik merk dat ik steeds meer uitkijk naar mijn videogesprekken met Stijn. Zijn woordgrapjes laten me stuiteren op mijn stoel, zijn feitjes laten me meer van de wereld ontdekken, zijn online gezelschap geeft me het gevoel dat ik… leef.

Twee maanden vliegen voorbij. Stijn en ik spreken elkaar nog steeds elke avond via Zoom. Soms voor tien minuten, soms voor twee uur. Tot nu toe hebben we nog nooit een dag overgeslagen. En vandaag spreken we eindelijk met elkaar af in het echt.

Ik wacht op hem voor het station Nijmegen Centraal. Nerveus pluk ik aan de rand van mijn lichtgele jurkje. Vanuit mijn rechterooghoek zie ik dat Stijn grijnzend naar me toeloopt. Hij draagt een lichtblauwe polo, een korte kakibroek en een paar Nikes Airs. Hij spreidt uitnodigend zijn armen. Ik ren op hem af en vlieg hem om de hals. We houden elkaar een paar tellen stevig vast. Het voelt ontzettend vertrouwd.

Kletsend wandelen we langs het Keizerkarelplein, langs de Grote Markt, langs de Waal. We nemen plaats op een bankje aan het water en genieten van het prachtige uitzicht. Onze gesprekstof lijkt haast onuitputtelijk, totdat Stijn ineens zwijgt. Zijn donkerbruine ogen twinkelen ondeugend. Hij kijkt me grijnzend aan. “Waarom ben je zo blij?” vraag ik. “Ik ben blij om jou te zien,” antwoordt hij. Ik schiet in de lach, maar merk ook dat het bloed naar mijn wangen stroomt.

Hij draait mijn gezicht naar zich toe en drukt zijn mond op die van mij. Ik beantwoord de beweging van zijn lippen. Het voelt verrassend goed. Hij trekt zich terug en streelt met zijn linkerduim mijn onderlip. “Je hebt nu je eerste kus gehad. Vind je het fijn, Sandy?” Ik knik.
Stijn trekt me bij mijn middel naar zich toe en kust me opnieuw.
Gretiger. Intenser. Hongeriger.
De vonk tussen ons ontvlamt zich tot een vuurzee.

“Ik vind je heel lief, Sandy,” fluistert hij in mijn rechteroor.
“Ik jou ook,” fluister ik terug.