Categorieën
Fictie

Sakura

Je kunt haar schoonheid niet los zien van haar kwetsbaarheid. Dat is het offer dat de Sakura van je vraagt: haar bloesem bloeit zo teer en tijdelijk dat in de eerste kennismaking ook het afscheid besloten ligt. Het advies om deze niet in Augustus te planten, in verband met de zomerhitte, was als een kringverjaardagsadvies over beleggingen, de huizenmarkt en politiek: stellig en samenzweerderig, maar gespeend van enig echt inzicht. De plek van mededeling, de kraamafdeling van het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis, was echter alles behalve feestelijk. Het zou beter zijn om later te zaaien, maar, zo vertrouwde de verpleegkundige me toe, als je je er volledig op zou toeleggen kon het wel eens werken. Je moet toch ergens over praten op zo’n dag en ik had veel zorg over, dus al snel stak ik mijn vingers in het rulle zand van het meest zonovergoten plekje in onze achtertuin. Op de knieën, met blote handen – rijkeluishandjes, aldus mijn Greetje – alleen met het zand. Ze liet me maar gaan, worstelend met haar eigen verdriet.
Je gaat door, omdat je niet anders kan. Eerst langzaam en stroperig, maar dan toch sneller, hoewel je de oorspronkelijke snelheid van leven nooit meer lijkt te benaderen. Altijd blijft er een rem op je staan, je sleept je verdriet mee als een anker. Altijd is er wrijving, zonder glans. De afgelopen weken zijn de gebeurtenissen dan toch in een stroomversnelling geraakt. Natuurlijk begon het bij mijn Greetje en ging ik vrij snel overstag. Het werd tijd voor iets nieuws, voor acceptatie, voor de volgende fase. “We worden oud,” zei ze.
De verhuisdozen steken de draak met me. Voor een kind zouden ze de bouwstenen voor een machtig fort kunnen zijn, of de muren van een magisch doolhof. Voor mij zijn het de ruïnes van het leven, als een muffig streekmuseum zonder bezoekers.
Vanuit de ravage klinkt haar stem, verholen achter een dozentoren. (Een schamel torentje van slechts drie dozen is tegenwoordig voldoende om haar te verstoppen: de tijd heeft haar kromgetrokken.) “Welke wil jij meenemen?” Een bibberend handje wijst naar de uitgestalde foto’s en schilderijen. Met één hand los van haar rollator brengt ze zichzelf aan het wankelen; direct schiet de hulp haar tegemoet. Ik schiet ook te hulp, maar slechts in gedachten, het lijf luistert nog maar slecht naar de bevelen van het hoofd. Mijn Greetje herpakt zich, geholpen door de geoefende arm van Rosa, en slaakt een opgelucht zuchtje. “Oeps,” klinkt het schuldbewust. Ze is dol op Rosa, de mollige, onbenullige jonge Surinaamse hulp, die van het moment gebruikt maakt om haar een warme knuffel te geven. De tegenstellingen tussen mijn sjieke Margreet en deze hulp kunnen nauwelijks groter zijn, maar toch zijn ze als het odd couple waar Hollywood zo graag koddige films over maakt.
“Er is plek voor vier grote foto’s aan de muren, de kleintjes kunnen we op de tafeltjes zetten. De schilderijen hoeven van mij niet,” zegt Greetje. Ze kijkt me aan. “Wat vind jij?” Ze weet dat ik dit niet wil doen, maar we hebben afgesproken alles samen te besluiten. Rosa zegt dat het belangrijk is om persoonlijke herinneringen mee te nemen, ‘tegen de vergeetachtigheid.’ Subtiliteit is niet een van haar kwaliteiten. Met zorg en toewijding verzamelde kostbare schilderijen zijn blijkbaar niet persoonlijk genoeg voor de volgende fase. Rosa zegt het, mijn Greetje gelooft het. Ik houd niet van die pop science. Na een lange carrière in complexe beleggingsproducten beschouw ik juist de oppervlakkige wist-je-datjes als grootste vijand van diepgaand inzicht. Het gaat om de nuance, de subtiliteit, het complexe samenspel van…. Ach wat. Soms kun je zoveel nuanceren als je wil, maar komen de dingen toch neer op een stompzinnig binaire werkelijkheid. Winst of verlies. Leven of dood. De schilderijen gaan weg. Ik hou nog even stil. Vanuit mijn ooghoek zie ik hoe Rosa me tegemoet wil komen, maar mijn Greetje houdt haar tegen. Dit soort vragen kosten tijd, dat kan een 21-jarige niet snappen. Weten misschien, maar snappen niet. We zijn ruim van tevoren begonnen, zodat we op dit soort momenten de tijd kunnen nemen. Voor mij ligt een collage van vijfenvijftig jaar huwelijk. De fraaiste vergezichten en rijkste gebouwen, omlijst met de glimlach van twee geliefden, liggen naast foto’s van oude vrienden, neven en nichten, buurtbarbecues en kunstbeurzen. Even zie ik alleen maar de gapende leegte, een alles overheersend gebrek aan schommels, poedelbaadjes en speelparadijzen, maar dan wijst mijn Greetje naar het pronkstuk: een zwart-witte trouwfoto van twee jonkies, pubers nog, net zo oud als Rosa nu. Greetje kijkt me aan. Een buitenstaander zal zeggen dat we steeds minder praten, wij weten dat onze conversatie rijker is dan ooit. De ogen spreken een taal die voor de lippen, ja voor de handen zelfs, geheimtaal blijft. Woorden kunnen zo cru zijn.
“Och wat jong, veel te jong!” zegt Rosa. Mijn Greetje lacht naar haar en dan fluistert Rosa haar wat in haar oor, ik hoor wat over snoepwinkels en dropstaven, gevolgd door gegiechel van mijn vrouw. Tachtig jaar en nog steeds verrassend, die Greetje.
Ik zucht en vraag of we dit later kunnen doen, er wordt begripvol geknikt. Dat irriteert me het meest aan deze fase, het eeuwige begripvol toegeknikt worden, je wordt er simpel van. De wind waait zacht door de openslaande tuindeuren en de bloesem danst mee. Lente na lente heeft de schoonmaakster geklaagd dat de we bloesem niet zo naar binnen moeten laten waaien, dat ze een hernia krijgt van het vele stofzuigen, maar ze heeft het moeten accepteren. We vinden het gezellig zo, de bloesem wervelend en zwierend rondom onze voeten. Ik kijk naar mijn vrouw. De jaren, rijk en arm, hebben hun sporen nagelaten. Na verloop van tijd raakt het verschil tussen de rimpel van de lach en die van de ouderdom verloren, wat overblijft is de herinnering. Ze zijn als een boek dat alleen ik kan lezen. Natuurlijk, er was een proloog die voor mij ontoegankelijk blijft en er zijn enkele smakelijke pagina’s uit een doktersromannetje, maar ach, elke schrijver heeft tenslotte een periode.
Rosa gromt en veegt wat vertrapte bloesem van haar schoenzolen, ‘eermeks’ noemt ze die, afzichtelijke hagelwitte dingen die afzichtelijk hagelwit moeten blijven, God mag weten waarom. “Wat gééft die boom veel troep zeg,” echoot ze het sentiment van de schoonmaakster. Vertrouw eeuwig op de jeugd om het er in te wrijven dat álles uiteindelijk aan betekenis verliest. ‘Dit mag nooit vergeten worden,’ zegt de ene generatie, waarop de volgende hen glazig aankijkt. Er rest ons oudjes niets dan zuchten.
Ik kijk mijn vrouw aan en mijn ogen vragen of we die onbehouwen Rosa niet één dag kunnen missen. De hare antwoorden mij dat het juist goed is, dat haar onbehouwenheid de pijn relativeert, dat vergeten het toppunt van genezen is. “Die boom,” zeg ik, “is een Japanse sierkers, een Sakura, door mijn eigen vingers daar geplant.” Het komt er giftiger uit dan bedoeld, per slot van rekening kan Rosa er niets aan doen. Wij hebben er zelf voor gekozen om aan niemand de ware betekenis te onthullen, noch wat haar wortels voor ons hebben verwerkt. Kinderlijk verbaast kijkt Rosa me aan en ik hoef de ogen van mijn Greetje niet te zien om te weten dat ze vlammen, en ik bied gedwee mijn verontschuldigingen aan. “Is die boom belangrijk?” vraagt Rosa, waarmee ze verraadt over meer empathie te beschikken dan ik haar tot dan toe had toegedicht.
Greetje grinnikt.
Toen we het huis op de markt brachten – we hadden het kunnen verhuren en daarbij eisen stellen, maar dat stond mijn Greetje niet toe – was het binnen een mum van tijd verkocht. Opgeknapte boerderijen zijn in trek en mijn rusteloze rijkeluishandjes hadden in veertig jaar tijd alles onderhanden genomen. Eeltig en ruw schudden ze de hand van de kopers, een jong stel in sportief-nette polo’s, óók die witte schoenen. De twee kinderen in identieke kleding hadden bij de eerste bezichtiging al rennend in de tuin de onderhandelingspositie verpest, maar ik mocht van mijn Greetje niet het onderste uit de kan halen, ook al was juist dat mijn specialiteit. Ze had natuurlijk gelijk, waar wij heen gingen hadden we niets aan geld en in deze jonge ogen glansde de toekomst. Een toekomst vol zon en zwembadplezier, hij had de schep nog net niet in zijn handen. Sakura’s houden ook van zon, bedacht ik mij later pas.
Greetje legt het geheim van de boom uit aan Rosa, die haar hand voor haar mond slaat. Zonder overleg heeft mijn Greetje de geheimhouding verbroken, zo zegt ze mij dat het genoeg is geweest. Ze neemt de leiding, opnieuw. Het is goed zo. We moeten afscheid nemen van spullen, schilderijen en symbolen, zodat we onszelf kunnen behouden, totdat ook dat niet meer lukt. Het moet maar.