Categorieën
Fictie

Roodkapje

De Chinese Muur heet nu Tian Tian. Ze hebben sushi of je kan wokken. Het restaurant ligt tussen bossen en weilanden. Tian Tian betekent hemel, dat staat schuin geschreven onder dikke Chinese tekens. Het restaurant is nog steeds van Chinezen.
Ik krijg een biertje van het huis. Het accent van de serveerster klinkt bekend. Het bier smaakt goed. Ik probeer niet aan mijn moeder te denken.
De serveerster legt roze servetten op haar trolley, ons bestek gaat onderop. Ze veegt de rijstkorrels bij elkaar. Alsof ermee gestrooid is. Bij de sojavlekken in het tafelkleed zat mijn dochter.
De serveerster vraagt of zij nog terugkomt. Ze zag ons binnenkomen, mijn dochter met haar rode rugzak.
Ik wil nee zeggen. Ik neem een slok bier.

‘Ze is naar haar grootmoeder.’ zeg ik.

‘In het bos, eten brengen?’ vraagt de serveerster.

Buiten is het donker. Er brandt licht op het terras en boven de parkeerplaats. In het raam zie ik mensen achter mij weg gaan. Ze omhelzen elkaar. Ik zit rechtop, het biertje tegen mijn wang. Het bos achter het restaurant is bijna zwart. Ik voel de kou in het huis van mijn moeder, mijn donkere slaapkamer in de winter.

Ik vraag aan de serveerster of ze uit de buurt komt. Haar moeder heeft in het oude restaurant gewerkt, ze woonden hierboven. Haar moeder is drie jaar geleden terug gegaan naar China.

‘Ik bedoelde net Roodkapje.’ zegt de serveerster. Ze glimlacht.

De riem van mijn tas klemt.

‘De tafelpoot.’ zegt de serveerster.

Het tafelkleed kriebelt in mijn nek. De serveerster draagt witte teenslippers. De tafel komt van de grond, bij de poot blijft een diepe afdruk staan. Mijn bierglas valt en rolt vlak boven mijn hoofd. Ik pak mijn tas. Ik wil naar de serveerster glimlachen, maar ze is al weg als ik boven tafel kom.
De aquariums brommen in het midden van het restaurant. Je kan vanaf je tafel onder water kijken. De groene plantjes bewegen in het water, de steentjes op de bodem lijken soms van goud. De vissen moeten pijpen, dacht ik als kind.

Het is buiten koud. Bij de oprit naar het restaurant staan twee lantarens. Boven het weiland hangt mist. Het bos en de weg naar het bos zijn verdwenen. Ik steek een sigaret op.
Ik kijk bij het fietsenrek of de asbak daar nog staat. Ik schop een paar keer in het grind. Het restaurant gaat sluiten.
Met mijn ogen dicht kan ik een gele lichtbak met rode letters zien. Alles is afscheid.
Ik pak mijn telefoon. De binnenzak van mijn jas is pluizig en warm. Mijn trein gaat over een uur.
Op de zijkant van mijn broek plakt een rijstkorrel.
Ik hoor het huis van mijn moeder kraken. Het hout beweegt met alles mee.
Ik maak mijn sigaret uit.
Ik blaas de rook in een cirkel en nog een cirkel in de cirkel. De hemel is grijs.