Categorieën
Fictie

Roeien met een riem

‘Je bent toch gekomen?’
‘Ja, zoals u ziet. Hoezo?’
‘Je had maar een riem. Ik dacht: dat meisje van de krant die gaat geeneens instappen als ze dat ziet.’
‘Had u dat expres gedaan? Maar een riem klaarleggen?’ Cato Kramer zet stevig haar fluwelen pump tussen de brandnetels. De koude, natte aarde stroomt als de vingers van een levende dode langs haar voetgewelf de schoen in.
‘Expres, expres, ach wat is dat. Weet je dat je in je onderbewustzijn ook dingen expres kunt doen. Alleen dan weet je het niet. Of ergens toch wel.’ Met zijn handen op zijn rug, licht voorovergebogen, staat hij naast een vlierstruik en slaat haar gade. Zijn spijkerbroek, grauw en ooit blauw, hangt stijf om zijn lijf. Net als zijn zwarte jas met lichtgrijze moddervegen. Je kunt niet zien dat hij mager is maar je ziet dat hij mager is.
De roeispaan snijdt door de aarde wanneer ze met haar beide handen steun zoekt en haar tweede been uit het rubberen roeibootje zwaait. Evengoed nog best galant. Haar haren blijven onberispelijk in de greep van de klem op haar achterhoofd. Dat voelt goed. Dat voelt alsof alles onder controle is. Wat ook zo is. Ja, Cato. Dat is zo. Ze knikt even. Naar hem maar voor zichzelf.
‘Ik dacht: dat meisje van de krant met maar een zo’n spaan, die gaat niet instappen. Of ik zou hier staan en dan zo kijken,’ hij zet zijn beide handen boven zijn ogen alsof het een zomerse zon dag is in plaats van een grauwe novemberochtend, ‘en dan zou ik je rondjes zien varen. Rond, rond, rond, met die ene spaan. Want om te roeien met de riemen die je hebt moet je er wel meervoud hebben.’
‘Ik ben niet zomaar het meisje van de krant. Ik ben Cato. Ik kan prima roeien met een riem.’ Ze stapt op hem af en ziet de slierten grijs haar door zijn bruine krullen waarin hij zelf een pony heeft geknipt. Met een heggenschaar zou je zeggen, of een bot keukenmes.
Hij negeert de uitgestoken hand en draait zich op zijn hakken om. ‘Kom. Volg mij naar mijn nederig stulpje. Naar mijn paleis.’ Schichtig kijkt hij over zijn schouder. ‘Cato. Cato. Ik vind die naam maar zo.’ zingt hij vals. Dan staat hij abrupt stil. ‘Ik kende ook ooit een Cato. Of nee, dat was een Karin. Of misschien Katrien. Je weet wel net als het liefje van Donald.’ Hij vervolgt zijn weg over een smal en modderig paadje, aan weerszijden omgeven door vijandige brandnetels. Meer dan kniehoog. Zo nu en dan aait hij er met zijn handen doorheen. Links. Rechts. Links. Als een dans. Als een deinend schip, eenzaam op de grote, lege oceaan.

‘Koffie?’
‘Nee bedankt, ik heb water mee.’
‘Water is voor vissen. Wil je een biertje?’
‘Het is half elf.’
‘Het kan klokkijken. Ik neem koffie. Je moet nu niet denken dat ik altijd om half elf bier drink.’ Hij schenkt zichzelf in uit een beige thermosfles waar voorgaande koffierondes hun sporen op hebben achtergelaten in de vorm van een meanderde opgedroogde koffierivier. De 27 lege halve liters Amstelbier die de vervallen pipowagen decoreren pleitten niet in zijn voordeel. In de voortent, een verschoten groen retromodel, met oranje strotouw aan de wagen gemonteerd, stonden twee volle traytjes met blikken naast het opstapje.
‘Zullen we beginnen?’ Cato haalt haar opschrijfblok en pen uit haar tas. En haar flesje water. Bij het zien van het rubberbootje heeft ze haar laptop in de auto gelaten. ‘Zoals ik al eerder heb verteld werk ik voor de Uitkijkpost van Heiloo. Onze krant komt iedere week uit en de komende weken tot aan de kerst verschijnt er een portret over een markante inwoner.’
‘Definieer markant?’ zegt hij en kijkt haar aan zonder te knipperen.
‘Wilt u de definitie zoals in de Van Dale of wat ik er zelf van maak?’ Cato draait de dop van de fles en neemt een slok zonder zijn blik los te laten. Hij haalt zijn schouders op.
‘Zit daar een substantieel verschil in?’ Hij doet een stap haar kant op en met een dikke wijsvinger tikt hij twee keer, hard, tegen haar voorhoofd. ‘Gebruik je dit zoals het hoort?’
Cato onderdrukt de neiging om de aanraking af te vegen. ‘Zoals ik al zei. Ik ben Cato, ik ben mezelf en ik ben meer dan een meisje van de krant. Ik denk.’
‘Dus jij bent.’ Hij zet zijn lege beker tussen de vuile vaat op het kleine keukenblokje.
‘Goed. Eerste vraag. Hoe bent u hier terechtgekomen op dit eiland. Was u dakloos? Werd u op een ochtend wakker en dacht: weetje wat? Ik ga alleen verder.’ Dan kijkt ze op van haar papier. ‘O, en hoe heeft u in godsnaam deze wagen hier gekregen?’
‘Schiereiland.’
‘Oké schiereiland. Waarom besloot u kluizenaar te worden? Godver, waarom moest ik dan met die boot?’ Haar ogen worden even donker en ze wrijft over haar hoofd. Een bruine krul schiet los uit de klem en valt voor haar linkeroog.
‘Bootje varen, theetje drinken, varen we naar de overkant…’ hij wiegt zacht heen en weer, zijn ogen staren door de muur naar ergens verder dan zichtbaar en toch heel dichtbij. ‘Ik neem er denk ik toch maar eentje. Zo vaak heb ik geen bezoek.’ Hij stapt de voortent in. Cato laat haar gezicht in haar handen rusten. Haar hartslag klotst door haar binnenste. ‘Adem in, nu de zee zo koud is. Adem in, nu het water ruwer wordt…’
‘Wat zei je?’
‘Niets.’ Zong ze hardop? Nee toch? Die gekte, is dat overdraagbaar?
‘Hier. Voor als je je bedenkt.’ Hij zet een blik bier naast haar flesje water. En even, heel even proeft ze de smaak van het bittere vocht al. Voelt ze de alcohol via haar maag naar haar hoofd gaan. Ze gaat op haar handen zitten.
‘Nee, dank u ik drink niet.’ Meer, denkt ze. Niet meer.

‘Laatste vraag. Familie. Heeft u die en ziet u ze nog?’ Ze drukt vier keer het knopje van de pen in en weer uit. Haar hoofd tolt en ze krijgt geen eenduidig beeld van de man die nu op zijn groezelige bed zit. Gek, ja. Normaal zeker niet. Hoogopgeleid. Goed belezen. Veel geschreven. Voor een krantje als de Uitkijkpost kan ze niet in zijn jeugd gaan wroeten. Daar waar vaak de grondslag ligt voor al die onverklaarbare dingen.
Zijn handen knijpen zijn knokkels wit. De gesprongen lippen beginnen even te trillen. Dan staat hij op. Haalt diep adem. ‘Ja inderdaad, ik denk ook dat we klaar zijn.’
‘Maar ik…’
‘Kom meisje, ik breng je naar de oever. Het is de hoogste tijd.’
Achter hem aan loopt ze naar het bootje terug, over het modderige brandnetelpaadje. Heel zachtjes laat ze haar vingertoppen door de toppen van de planten waaieren. Links, rechts, links…ze is kleiner dan hij, ze hoeft niet te dansen.
‘Wacht even,’ zegt hij als ze het gele bootje richting het donkere water sleept. Met een klein rukje dat heimelijke verwachtingen verraadt kijkt ze op. Ze ziet hem nog net achter de vlierstruik verdwijnen en weer verschijnen met de tweede peddel in zijn vierkante handen. Ze laat haar hoofd zakken. ‘Nee, dank u. Ik red het prima met een. Weet u wat? Ik denk zelfs véél beter.’ Ze duwt zichzelf met de ene spaan van de kant af. ‘Tot ziens meneer Kramer.’
Hij leunt op de peddel, hij lijkt kleiner en viezer en kouder. En alleen. ‘Nee. Vaarwel. Vaarwel, meisje,’ zegt hij. Dan draait hij zich om en beent weg. ‘Schip ahoi! Schip ahoi!’ gilt hij op zijn weg terug met schelle stem, als een oude papagaai op de schouder van een piraat.

De overkant is snel bereikt. Ze trekt de natte boot op de kant en werpt de ene roeispaan erin. Uit haar zak haalt ze een in vieren opgevouwen A-4tje. Ze vouwt hem open en ziet in vier foto’s zichzelf opgroeien tot wat ze nu is. Bovenaan staat haar naam en telefoonnummer. Ze loopt op de boot af en legt hem op een droog stukje. Ze raapt een steen op, veegt hem af aan haar broek en verzwaart het papiertje ermee.
Haar hand reikt naar het autoportier. Ze wil de deur openen, maar haar vingers stokken. Ze kunnen de deur niet openen. Haar benen brengen haar de vijftien stappen terug naar de slootkant en haar rug laat haar bukken waarna haar vingers het opgevouwen papier weer uit de boot pakken. Stevig en snel scheurt ze het in kleine stukjes en laat ze meevoeren op de wind en door het water.
De autodeur slaat met een droge klap naast haar dicht. Ze drukt op start, en draait met knarsende wielen de parkeerplaats af. De klamme novemberwind waait door een kiertje van het raam, ze trekt de klem uit haar bruine krullen en met haar hand schudt ze haar haren los.