Categorieën
Fictie

Rode troost

Ik neem altijd om twaalf over twee de bus naar mevrouw M, elke dag. Ik verstop me daar een uur en betaal honderd euro. Daarna ga ik weer naar huis en doe alsof er niets aan de hand is. Al zo’n vijfenzeventigduizend euro lang. Gisteren ben ik daarmee opgehouden. Gisteren is Helga overleden.

Voor mijn laatste verjaardag had Helga me een korianderplantje en een doos zeebanket cadeau gedaan. Ik lust al mijn hele leven geen koriander, dat wist ze dondersgoed. Ik lust ook geen zeebanket. Ik weet niet of ze dat wist. Ik rook een wrange geur van rode wijn toen ze bij binnenkomst mijn wangen kuste. Twee jaar had ik haar niet gezien.
“Lekker, dankjewel,” zei ik werktuiglijk.
Mijn andere zus keek geïrriteerd op toen ze een sigaret opstak. “Ik dacht dat jij gestopt was.”
Helga keurde haar geen blik waardig en staarde voor zich uit, driftig rook uitblazend de kleine keuken in. Iedereen had zich daar verzameld en er werd tot dusver geen aanstalten gemaakt om een knusser locatie op te zoeken. Ongemakkelijkheden zijn minder ongemakkelijk in de keuken. Ik zette het korianderplantje in de vensterbank en keek naar Helga. Ze stond bij het aanrecht in een ouderwets gebloemde rok, een beginnende ladder in haar panty.
Mama schitterde door afwezigheid.

Mijn andere zus had me voorafgaand aan mijn verjaardag opgebeld. Ik had op het punt gestaan naar mevrouw M te gaan. Met mijn jas al aan had ik opgenomen. Het snerpende geluid van een rinkelende telefoon kan ik niet negeren; het geeft me een gevoel van hoge nood.
“Helga was hier vanochtend,” had mijn andere zus gezegd. “Stond huilend voor de deur, nog voor ik Jet naar school had gebracht.”
“Wat wilde ze?” Ik had intussen geprobeerd mijn sjaal om te doen en vluchtig op mijn horloge gekeken. Tijd is geld, zeker als het mevrouw M betreft.
“Er was geen land met haar te bezeilen, ik rook de wijn op twee meter afstand.”
Alsof land überhaupt te bezeilen is, dacht ik. Met Helga alvast niet. Als ze een kwade dronk had zocht ze ruzie, om vervolgens in tranen uit te barsten en meermaals te vragen of je boos op haar was. Ik was nooit boos. Ik schaamde me. Ik had me altijd al voor haar geschaamd, praktisch voor alles wat ze deed, zelfs voor het feit dat we dezelfde ouders hadden. Gelukkig was ze ongelukkig getrouwd en deelden we in het dagelijks leven onze achternamen niet. Als we niet beiden de onfortuinlijke flaporen van onze vader geërfd hadden, had nooit ergens uit hoeven blijken dat we familie waren. Mijn andere zus had geen flaporen. Ook schaamde zij zich niet. Zij was wel boos. Helga had het behoorlijk verbruid en hoewel zij elkaar nog regelmatig zagen werden er weinig woorden meer tussen hen gewisseld. Een hoofdknik in de supermarkt voldeed.
Mijn andere zus had zich zorgen gemaakt over mijn verjaardag. Het leek erop dat Helga zich haars ondanks zou laten zien en mijn andere zus zat daar allesbehalve op te wachten, zeker na dat onverwachte bezoek. Maar ze kwam, wat ook meteen verklaarde waarom mama er niet was. Mama was lang geleden al opgehouden tegen Helga te praten, het kind van de rekening. Wat niet bij Helga opkwam was dat mama eigenlijk tegen niemand praat. Ik betaal mevrouw M om te mogen praten.

Helga was de eerste geweest die de keuken verliet. Ze doofde haar sigaret onder de kraan en liep voor mij uit de woonkamer in, glas in haar rechterhand. Daar nam ze plaats op een eetkamerstoel. Op de bank zat je enkel als je je comfortabel voelde.
“Gefeliciteerd, meisje. Vijfendertig, de tijd vliegt! Ik weet nog dat je geboren werd, mama als een kind zo blij,” zei ze.
Ik glimlachte zenuwachtig naar haar en hoopte vurig dat mijn andere zus in de keuken zou blijven.
“Hoe gaat het, Helga?” vroeg ik.
Ze haalde haar schouders op. “Zijn gangetje. Je ziet er goed uit.”
Dat kon ik van haar niet bepaald zeggen, dus ik glimlachte weer. Ik kon het niet opbrengen om ook te gaan zitten, er een luchtig gesprek van te maken. Helga nam nog een sigaret. Ik zag hoe ze met haar magere, bleke handen een pluk tabak uit het pakje trok en strak in een vloeitje rolde. Zonder filter, net als mama vroeger. Ik heb nooit shaggies leren draaien en wilde haar juist vragen of ik er ook een mocht toen de andere gasten een voor een de woonkamer binnendruppelden. Ik verloor haar en haar sigaret uit het oog. Iemand gaf me een flesje bier, lauw. Het maakte me niet uit. Ik sloot mijn ogen en nam een grote slok. De rest van de avond ging aan me voorbij in een waas.

Helga had ik niet meer gezien. Het enige bewijs van haar aanwezigheid was het glas waaruit ze had gedronken, vegen rode lippenstift op de rand, kleverige restjes wijn op de bodem. Het stond de volgende morgen nog op tafel, naast een leeg schaaltje pinda’s dat ze had gebruikt voor haar sigarettenpeuken, als een stilleven van de verslaving. Haar laatste sigaret was maar voor een kwart op gerookt. Ik haalde hem uit de gefabriceerde asbak en stak hem aan met een gaspit van het fornuis. Mama deed dat altijd en ik herinnerde me dat ik als kind als de dood was geweest dat haar mooie blonde haren in brand zouden vliegen.
Ik zoog de rook diep mijn longen in en hoestte. Ook mijn andere zus was de avond ervoor vertrokken zonder dat we daadwerkelijk gepraat hadden. Dat lag in onze aard, dingen niet bespreken die overduidelijk woorden behoefden. Het feit dat Helga dronken bij haar voor de deur had gestaan en daarna op mijn verjaardag was verschenen na twee jaar geen contact negeerden wij, zoals het onze familie betaamt. Wij stellen geen vragen, dat leerden we al vroeg.

Ik worstel nog elke dag met deze vroeg ingegeven waarheid en met mevrouw M. Mevrouw M verdient haar brood met het tegenovergestelde van wat mij met de paplepel is ingegoten.
Gisteren ging de telefoon weer. Dit keer bracht de schelle roep van het toestel me de woorden van de dood. Helga is niet meer. Mijn andere zus huilde aan de andere kant van de lijn. En terwijl Jet vast nog niet naar school was schonk ik mezelf een flink glas rode wijn in. Ik stopte de honderd euro, bestemd om vandaag te mogen praten, terug in de keukenlade.
Mama heeft gelijk, er valt niets te zeggen.