Categorieën
Fictie

Rigor Mortis

’S Avonds voor het slapen gaan dacht ze er aan hoe ze het zou doen. Ze wikte haar laatste woorden, kende ze toe aan wie tekst en uitleg verdiende. Ze vroeg zich af welk papier het beste bij zo een gelegenheid past. Was rode inkt te dramatisch? Misschien toch maar gewoon blauw? Een handjevol pijnstillers moest voldoende zijn. Zo blijft er geen rotzooi achter, want (zo hadden ze haar verteld) het hoort ten slotte niet iemand te belasten met jouw verdriet. Eigenlijk zou ze het liefst verdwijnen. Gewoon zo. Aan het einde van een warme zomeravond een zucht slaken en in rook opgaan. Niemand die er iets van merkt. De vrijheid tegemoet, dacht ze, alhoewel niemand dat zeker wist en het haar best angst inboezemde.

We vonden haar op een dinsdag. Die dag van de week waarop anders zelden iets bijzonders gebeurt.
Paco ging als eerste binnen. Het was alsof hij een museum betrad, met die koele, onderzoekende blik van hem; onverstoorbaar, nauwelijks bereid verassing te tonen. Ik herkende deze plek, was er vaker geweest, ze lag ergens voorbij de vertrekken van mijn angst, het deurtje dat ik steevast wegmoffelde onder de fluwelen spinsels van mijn optimisme. Dat kon nu niet langer en ik volgde Paco schoorvoetend het kleine badkamertje in.

Ik wist dat het te laat was, dat we haar dood of stervend zouden vinden bij het bad of onder de wasbak. Ze had alles nauwkeurig gepland. Daar was ze goed in. De deur stond open en de lichten brandden en je hoorde de kraan stilletjes druppelen. Daar lag ze, muisstil, in het water, één arm over de marmeren badrand bengelend zoals op dat schilderij waar ze zo van hield. Haar hoofd lag in een vreemde hoek op haar schouder, de ogen gesloten, de mond een beetje verwrongen. Het water streelde haar kin en op het oppervlak dreef een leeg washandje. De lucht rook naar aarde. Een vochtige, doordringende geur die ons de adem benam en die ik me zelfs vandaag nog levendig herinner.

Haar einde was al langer nabij. Ze hadden haar kapot gemaakt: de beenhouwers. De beursgoeroes. De zielenknijpers. De schoolmeesters en farizeeërs. De onhebbelijken en mooipraters. De vastgoedmakelaars, de betweters, de voddenventers en de regelteven. Kortom: het voetvolk van het legioen der bemoeienis, dat weigert vogels te laten zingen zoals ze gebekt zijn. NEE, schreeuwden zij in koor, NIET, NOOIT en MOET en ZAL. Ze spuwden grote klodders speeksel wanneer ze spraken. Tot zij knakte als een twijgje en het niet meer te boven kwam. Ik had ze kunnen vervloeken, maar diep vanbinnen wist ik dat ook zij schapen en geen wolven waren. Mijn toorn zou verloren moeite zijn geweest. Ja, ze hadden haar in haar ondergang gestort, maar is ook hun geluk niet slechts een illusie? Staan zij niet los van wat hen gemaakt heeft?

Paco deed het licht uit en stak een kaars aan. Hij viste een vergeeld notitieboekje uit zijn aktetas, likte aan het puntje van zijn wijsvinger en bladerde naar een pagina ergens middenin. Over zijn schouder zag ik hoe hij met cijfers goochelde, hoe hij rijen en kolommen vulde; krijtlijnen van een systeem dat alleen hij begreep. Het licht van het kleine vlammetje wierp groteske schaduwen over zijn gezicht. Af en toe keek hij uit het schrift op, monsterde het meisje aandachtig en vervolgde zijn taak. Ik merkte dat de verontwaardiging mijn keel dichtkneep. ‘Godverdomme Paco. Wat bezielt je met die onzin, terwijl zij hier ligt te vergaan?’ vroeg ik. Ik keek hem aan en zag mezelf over zijn schouder in de spiegel. We leken op elkaar; niet als broers, maar zoals je soms op een herinnering lijkt. Hij haalde zijn schouders op. ‘Volgens wetenschappelijk onderzoek valt twee derde van de zelfdodingen te vermijden met de juiste medicatie’, stamelde hij, en toen hij mijn verontwaardiging zag ‘Het betreft hier slechts waarschijnlijkheden, daaromtrent stelt het handboek geen regels voor aansprakelijkheid.’ De woede ontsproot ergens in mijn onderbuik en overwoekerde al snel de hele akker van mijn geest. Ik schreeuwde en sloeg het schriftje uit zijn handen. Een papieren vogel, die met ritselende pagina’s tegen de badkamertegels te pletter vloog en potsierlijk het bad in gleed. Even keken we verdwaasd toe. Waar de inkt zich met het water vermengde tekenden zich blauwe kringen af. Paco keek me geschrokken aan. Hij spande zijn spieren op, klaar voor de strijd. Nodeloos, want ik wist dat mijn woede een onzinnige vluchtweg was voor het verdriet.

We stonden te rillen, Paco en ik, steeds heviger, tot de eerste traan verscheen en we elkaar huilend in de armen vielen. We moeten zo even naast het bad gezeten hebben terwijl onze tranen in het water vielen. Pling. Plong. Pling. Het lied van een meertje in een grot diep onder de grond.

Ik had haar vaak voorgesteld een verhaal te verzinnen. Het zou uit gewichtige, rondborstige woorden bestaan met zinnen als een sneltrein (En voor haar, alleen voor haar, een eersteklas zitje naar megalomane bestemmingen als ‘Betekenis’ of ‘Richting’). Houvast, schreef ik, en reddingsboei en ik zal er voor je zijn, lieverd. Ze keek me aan met gezwollen ogen in een grauw gezicht. ‘Schrijvertje’, zei ze, ‘Lief Schrijvertje van me. Ook jij kan me niet helpen. Houd de woorden in je rinkelende beurs verborgen. Ooit zullen ze iemand van pas komen.’ Ik durfde het bijna niet luidop te denken; misschien had ze gelijk en zijn we aan het einde van de rit allemaal tot eenzaamheid veroordeeld? Als dat echt zo is, dan heeft zij de juiste keuze gemaakt. Want dan is ze nu aan de andere kant; de grenzeloze zijde waar zwart en wit niet langer tegengesteld zijn, waar de tijd stokt en de ruimte implodeert. Hoor je me? Wacht je op me? Geef me nog een etmaal en ik kom je achterna. Nog een beetje moed, mijnheer, nog een beetje tegenslag…

‘Goed, Paco’, zei ik. ‘We moeten haar begraven. Dat is het minste wat we voor haar kunnen doen.’ ‘Ik haal een schop uit het schuurtje’, zei Paco. ‘Neem jij hier maar afscheid, dan delf ik een graf bij de perenboom’. Hij dook de gang in. Het was opnieuw muisstil in de badkamer. Een voor een stroopte ik de kleren van mijn uitgeputte lijf. Een allerlaatste keer kroop ik bij haar in bad. Het water was al lang geleden afgekoeld maar dat deerde me niks. Ik duwde haar benen wat opzij en schrok er van hoe hard en stijf die aanvoelden.

‘Dank je’, fluisterde ik. ‘Omdat je me mijn schaduw hebt getoond.’ Een laatste keer waste ik haar hele lijf met grote zorg, elk detail in me opnemend. Haar schouders waren smal en knokig. Ik kon de ribben tellen onder een dun laagje huid. Tijdens het wassen dacht ik aan de vele keren dat ik haar gezicht verkrampt had gezien, dat de pijn haar te veel werd, dat ik in de afgrond keek en mezelf zag, dat ze mij meenam naar een plek die ik niet kende. ‘Onze geliefden zijn zij die ons groter maken dan we zijn’, dacht ik, en terwijl de aarde het graf met doffe klappen vulde, dwarrelden de melkwitte bloesems van de perenboom om onze hoofden heen.