Categorieën
Fictie

René Descartes, of: Stelen uit kroegen en de overpeinzingen die daar natuurlijkerwijze uit voortvloeien

Ik heb er een hekel aan uit kroegen te stelen. Soms moet je. Soms hoeft het helemaal niet en doe je het gewoon, en dan sta je op een maandagmiddag in je keukentje te staren naar vier bierglazen die ze achter de bar toch niet zullen missen, maar jij hebt ze ook niet nodig en je voelt je schuldig want stelen blijft stelen blijft stelen, hoe heeft dit kunnen gebeuren? Zou je ze terug kunnen smokkelen?: ze meenemen in een chique aktetas of een robuuste dokterskoffer, en biertjes bestellen tot de bediening van dienst wisselt en dan snel een of twee van je diefglazen op tafel zetten, er zo onopvallend mogelijk een restje bier in laten rondwentelen zodat ze gebruikt lijken, en de nieuwe serveerster heeft niks door …
Glazen zijn nog aardig onschuldige roofwaar. Een karaf zou raar zijn. Viltjes tellen niet, viltjes zijn als potloodjes in de Ikea. We hebben lang geleden eens een hele fles gestolen uit een veel te dure cocktaillounge omdat we ons onbeschoft bejegend voelden, denk ik, het staat me niet meer zo bij en ik heb die groep vrienden al lang niet gezien, maar de bediening schoffeerde ons vast en geschoffeerd worden vergoelijkt natuurlijk alle gedragingen, dus nu staat er op mijn aanrecht een ongeopende fles whiskey die blijkbaar heel exclusief is maar ik heb daar de tong niet voor. Ik hoop dat er snel iemand langskomt om van deze nectar te genieten. Voor mezelf zal ik dan een groot blik bier opentrekken en ik zal helemaal in mijn knollentuin zijn.
(“Ik ben helemaal in mijn knollentuin” was een uitdrukking die mijn moeder soms gebruikte om aan te geven dat ze ontzettend tevreden was, en omdat zij de enige was die de uitdrukking leek te gebruiken heb ik heel lang gedacht dat ze ‘m zelf had verzonnen. Ik weet niet eens wat een knollentuin is—een groentetuin waar uitsluitend knollen verbouwd worden? Of is het een eufemisme, een seksuele toespeling die ik niet snap? Maar toen las ik een boek van de fantastische Charlotte Mutsaers waarin “ik ben helemaal in mijn knollentuin” ook gebruikt wordt, zonder enige uitleg, alsof iedereen wel zou begrijpen wat dat betekent, Wie kent de uitdrukking niet?, en als mijn moeder me deze spreekwijze niet geleerd had, had ik bij het lezen van Mutsaers even verbijsterd gekeken als toen ik laatst in een boekje van Boelgakov de zin “Hij werd ontboden maar hij had de kat gestuurd” aantrof en geen flauw idee had wat dat precies moest betekenen—vast iets omineus: als Boelgakov een kat stuurt, weet je dat ‘ie een pistool bij zich zal hebben. Ik realiseer me nu pas hoezeer Charlotte Mutsaers me aan mijn moeder doet denken, en Boelgakov juist totaal niet.)
Er is nog altijd niemand langsgekomen om deze whiskey op te drinken. Ik kijk uit het raam om potentiële bezoekers te spotten maar ik herken geen enkel gezicht. De whiskey zal langer goed blijven dan ik, denk ik, deze fles gaat mij makkelijk overleven. Ik open het keukenraam dat uitkijkt op het drukke verkeersplein en ik klauter door het venster. Ik hoef me maar zachtjes tegen het kozijn af te zetten, een tikje met de roeispaan tegen de modderige waterkant, en ik gondel al boven het plein, zwevend deinend schommelend als een gans op het kanaal. De zon is een hoofdpijn waar gelukkig net een grote wolk voor langs komt tuffen als een stoombootje in de haven, parkeer ‘m hier maar.
In het midden van het plein blijf ik hangen en ik scan de hele krioelende klootjesmassa, op zoek naar een drinkmaatje. Er stopt hier zestien uur per dag iedere drie minuten een tram, en elke tram braakt weer een nieuw cohort tegeltrappers op de straat, kandidaten genoeg maar geen bekenden. Is er ooit iemand bij mij thuis geweest? Weet iemand waar ik woon? (Als ik stik in een handvol pinda’s en schuimbekkend ter aarde stort en mijn laatste adem op de stoffige, plakkerige vloer uitblaas, weet iemand dan waar mijn kadaver geborgen moet worden?) Woest gerinkel: de M10 naar Warschauer Straße ramt bijna tegen de T3 naar Porte Dauphine en beide machines klepperen gestrest dat de schuld toch duidelijk bij de ander ligt, terwijl lijn 14 richting Flevopark passief agressief met zijn gelaarsde voetje op het asfalt tikt want iedereen is al te laat—Wacht, alles vloeit in elkaar over: weet ik zélf wel waar ik woon?: al die periodes, plekken, vrienden, steden, het zijn laagjes van een hamburger en ik pulk ze niet meer uit elkaar maar neem grote happen, laat alles ook maar samensmelten, de poëtische ruimte heeft uiteindelijk meer te zeggen dan een realitätsnahe afschildering van de ruïneuze daadwerkelijkheid, in de tekst is alles mogelijk en de tekst is de enige manier om al deze herinneringen van de vergetelheid te redden … Schrijf door, meneer, en maak je geen zorgen om een paar incongruente trams.
Al deze mensen onder mij, zoveel mensen, ze jagen voorbij alsof hun handelingen en plannen inhoud hebben, of alsof ze nodig naar de wc moeten, en normaal gesproken houd ik van deze blindheid van het stadsdier voor zijn medemens, laat mij maar met rust, ik wikkel me met plezier in anonimiteit, maar vandaag blijf ik zoeken naar een gezicht dat ik ken, of zou willen leren kennen. Niemand, niets niets niets, rien ne va plus, mes amis. Ik zie vooral de bovenkanten van hoofden, harige hoofden kale hoofden geverfde kapsels dikke vlechten, hoofddoeken en keppeltjes en daar, kijk!, een heuse nonnenkap!, een paar ouderwetse hoeden, ik wou dat ik hoeden kon dragen maar ik zou ieder hoofddeksel al op de eerste dag van mijn parmantig paraderen ergens in een kroeg of boekhandel vergeten, zou een bolhoed mij staan?, een bolhoed en een monocle en een goed ingevette snor, een gesoigneerde knevel zoals je in een roman uit de jaren dertig zou kunnen lezen?—En het grappige van al die kruinen is hoe verschillend ze eruit zien en hoe schijnbaar onafhankelijk ze zich door de wereld bewegen, terwijl het toch overduidelijk is dat dit allemaal zombies zijn, lemmingen, nee: golems en robots, onder iedere honkbalpet schuilt een springveer, achter al die neergeslagen blikken gaan alleen maar tandwieltjes en pneumatische aandrijvingen schuil—er zit geen echt mens tussen. Hoe zou dat ook kunnen als het zo zonneklaar is dat ík de enige mens op aarde ben, alle anderen zijn mechaniekjes die vanochtend heel vroeg op hun smalle rails zijn gezet om mij voor de gek te houden. De vraag is alleen: door wie?
Het is een raar gevoel te weten dat niemand, waar ook ter wereld, zich afvraagt waar je bent. In “Het Congres” schrijft Alejandro Ferri: ‘Ik heb geen last van de eenzaamheid; het is al moeilijk genoeg jezelf en je eigen gewoonten te verdragen.’ Een goed motto, een mooie spreuk om op mijn blazoen te tekenen met stukjes grijze ducttape.
Ik roep naar de zwermen mensen tientallen meters onder mij, Hé, hé liebe Leute: wisten jullie dat ik helemaal niemand nodig heb?
Ze roepen omhoog, waar ik met mijn lijf in kruisvorm tegen de gloeiende lucht afsteek zoals Christus eens aan Constantijn verscheen, ze roepen, Oh, wat goed! Hoe kom je daar nu zo bij?
Ik realiseerde me dat jullie net zo goed niet konden bestaan, en ik zou het nooit merken!
Oh, zingen ze in kakofonisch koor, Ah, je bedoelt zoals het ook irrelevant is of de vrije wil bestaat of niet omdat het toch wel voelt alsof ‘ie bestaat en we kunnen geen perspectief innemen van waaruit we de situatie met absolute objectiviteit zouden kunnen beschouwen?
Ja, schreeuw ik naar al die voorgeprogrammeerde hoofdjes, Zo ongeveer, en daar laat ik het maar bij want ze begrijpen het toch niet en ik zal het ze niet uitgelegd krijgen. Jammer.
Uiteindelijk schoolslag ik maar terug naar het keukenraam en klim onhandig weer naar binnen, ik verlies even mijn grip en val bijna de vier verdiepingen naar beneden, SPLAT voor de deur van de bieb, maar ik pak net op tijd het metselwerk weer vast. Fuck … Bloed krijst, hart zweet, nieren huilen, niet hiervoor gebouwd.
De hemel betrekt, de wolkenflarden zijn vaalwit als een oud vloeitje. Ze rollen zichzelf dikker en dikker, vol met damptabak, zwarter en zwarter, worden dan aangestoken met withete bliksemschichten. Het is overdag donker en in de valsnacht flitst het feller dan politiezaklampen in het gezicht van een parkslaper. Hijgend en alleen sta ik blootsvoets op de plakkerige linoleumvloer. De whiskey brandt in mijn keel.