Categorieën
Fictie

Redeloos, radeloos, reddeloos

Esther Wilderjans 1300
Duistbosstraat 22
3580 BERINGEN
0497/33.14.52
esther.wilderjans@telenet.be

REDELOOS, RADELOOS, REDDELOOS
door
Esther WILDERJANS

De jaren hadden geen seizoenen meer. Niemand kende het woord ‘jaargetijde’ nog. Of beter gezegd, niemand durfde het woord nog in de mond te nemen, want het stond op de lijst van de Verboden Woorden. Alleen de Kopvoeters met hun grote waterhoofden, waarin de geschiedenis van de hele mensheid lag opgeslagen, wisten nog dat in lang vervlogen tijden de wereld op een ander ritme leefde.
I. REDELOOS
In het tijdperk van de Redeloze Jaren was alles beginnen te verschuiven. Het meisje herinnerde zich nog hoe haar grootvader vertelde over de lange zomers die steeds warmer en droger werden. Over de frisse, groene weiden die mettertijd veranderden in dorre, rossige steppengronden. Over zijn waterput die jaar na jaar sneller droog kwam te staan. Over hoe hij op een dag, toen hij in de moestuin het onkruid aan het wieden was, een knerpend geluid waarnam, dat hij eerst niet kon thuis brengen. Verbaasd had hij om zich heen gekeken en de hemel afgetuurd, op zoek naar de bron van het monotone, zagende gezoem. Uiteindelijk had hij zich werktuigelijk en verbaasd omgedraaid naar de grote lindeboom, die achter hem, aan de rand van het bos, rustig met zijn takken stond te wiegen in de nauwelijks merkbare zomerbries. Voetje voor voetje was hij dichterbij geschuifeld, in de richting van het geluid, terwijl hij oplettend om zich heen bleef kijken. Toen hij zijn oor tegen de bast van de boom had willen leggen, was een kreet van ontzetting hem ontsnapt. De boomschors was bijna volledig vervangen door een dekkleed van zwarte, bedrijvige kevers, met een mosterdbruin, glimmend pantser. Ze knaagden zich een weg door het hout heen en deden zich tegoed aan de boomsappen. Door niets of niemand lieten ze zich verdelgen. Alle lindebossen, die met hun geneeskrachtige eigenschappen in die tijd net zo belangrijk waren, werden in een mum van tijd kaal gevreten. En met de lindebomen verdween ook het web van paddenstoelen, planten en dieren die van hen afhankelijk waren. De vruchtbare bodem, die toen niet langer vastgehouden werd door het wijdvertakte wortelnetwerk van de sterke linden, spoelde tijdens de felle najaarsstormen in stromen naar de huizen, en bedolf ze onder de modder. De grootouders van het meisje hadden zich ternauwernood weten te redden. Na lange omzwervingen en hevige ontberingen, hadden ze zich uiteindelijk haveloos teruggetrokken in de donkere, koele eikenwouden, in het hoge Noorden. Dat was hun redding geweest.
II. RADELOOS
Want in het tijdperk van de Radeloze jaren kwamen de bosbranden. De maanden aanhoudende, zinderende hitte en de droge passaatwinden deden de bossen die de aanval van de boomkevers overleefd hadden – voornamelijk gortdroge naaldwouden – in de vlammen opgaan. Razende vuurzeeën legden de laatste menselijke nederzettingen in as. Enkel de Yggdrasil, de levensboom die in het middelpunt van de wereld stond, bleef gespaard, en de noordelijke eikenwouden dus. De hamadryaden, de beschermwezens van de eikenbomen, hadden een bezwering uitgesproken, waardoor de vlammenzee halt hield aan de grens van het noordelijk loofbomenwoud. Daar groeiden de ouders van het meisje op, in een grauwe, kleurloze wereld. Alle fauna en flora was bedolven onder een permanente laag grijze assen, en de hemel was nooit meer helder. Hun generatie nam de gewoonte aan om in eieren te gaan wonen, hoog in de takken van de eikenbomen, uit angst voor een herhaling van de natuurramp die de dorpen en woningen van hun voorouders had weggeveegd. In die tijd mochten de mensen hun boomhutten van eierschaal wel nog verlaten, om te gaan werken op de scheepswerven of om een partner te vinden, zich te koppelen en een gezin te stichten. Dat was toen het virus nog niet was uitgebroken, het virus dat het voortbestaan van de mensheid zou bedreigen. Het was nog voor de periode van de Reddeloze jaren.
III. REDDELOOS
Het nieuwe ei zat stevig verankerd tussen de takken van één van de zeldzame moereiken. Het ei stond niet rechtop, maar het lag gekanteld op zijn lange zijde, zodat het ruimer was dan het laatste ei, waarin het meisje gewoond had, samen met haar ouders. Die hadden beiden, kort na elkaar, het virus opgelopen en waren eraan gestorven. Alle besmette eieren moesten vernietigd worden. Daarom had het meisje, Elif, het ouderlijk ei moeten verlaten.
De Centrale Autoriteit had haar onderzocht en ze was, wonder boven wonder, zelf niet besmet geraakt. Daarna hadden ze haar ingeschaald in een nieuw, volledig steriel, onderkomen, dat was gebouwd volgens de laatste bouwvoorschriften. Dankzij de verdunde schaal viel er lekker veel licht binnen. Tegelijk was het er, door het ademende binnenste vlies, behaaglijk warm in. Toch voelde Elif zich er niet veilig. Het probleem lag volgens haar bij de nestboom. Die stond naar haar aanvoelen te dicht bij de rivier. Er ging een kille, onbehaaglijke dreiging uit van het inktdonkere water dat gestaag maar zeker dichterbij kwam. Daarover mocht niet gesproken worden, het was één van de Verboden Onderwerpen, maar Elif voelde zo’n dingen aan. Om er zeker van te zijn dat ze het zich niet inbeeldde, en om de tijd te doden, hield ze de bewegingen van het water nu al geruime tijd minutieus bij, in een geheim logboek. Inmiddels was op basis van haar aantekeningen en tabellen onomstotelijk komen vast te staan dat de massieve watermassa een onverzadigbare honger had naar het vasteland, en dat het op termijn alle land en leven zou verzwelgen.
Haar onderzoek was niet zonder gevaar, daar was Elif zich van bewust. Als Ongekoppelde werd ze scherp in de gaten gehouden door de Centrale Autoriteit. Maar ze moest iets om handen hebben wou ze niet gek worden in de zee van tijd tijdens haar gedwongen opsluiting tot aan haar gedaanteverandering.
Ze legde haar oor tegen de wand van haar eikenstam, en luisterde of ze de sappen nog kon horen stromen. Het ergste wat haar nu kon overkomen, was dat de nestboom geen voedingsstoffen meer zou aanvoeren naar haar ei. Dan zouden de rupsen geen eten meer hebben, en zou heel het verpoppingsproces in het gedrang komen. De larven deden tot dusver prima hun werk. Elk dag sponnen ze heel precies de hoeveelheid draad die nodig was voor de fijne cocon die Elif ging bedekken tijdens haar transitie. Als alles goed ging, zou Elif zich in dat fragiel geweven omhulsel kunnen ontmantelen en opdelen in twee, misschien zelfs drie of vier klonen. In het slechtste geval zou de transformatie haar het leven kosten, maar ze had geen andere keuze. Het was dit of dwangarbeid op de scheepswerven en binnen de kortste tijd ten prooi vallen aan het meedogenloze virus dat geen onderscheid maakte naar ras, geslacht of leeftijd. Elif huiverde. De transformaties stonden nog in hun kinderschoenen. Dagelijks kondigde de Centrale Autoriteit nieuwe richtlijnen af, om de kans op de beoogde immuniteit van de klonen te verhogen. Elif had alle instructies tot vervelens toe nagelezen, en kende het stappenplan uit haar hoofd. Wat zou ze er veel voor over hebben om nog een laatste keer de wind door haar haren te voelen strijken, regendruppels te voelen op haar huid, de geur van het natte woud te kunnen opsnuiven. Helaas, elk contact met de buitenlucht was ten strengste verboden in de laatste weken voor de transformatie. Morgen was het zover, morgen werden de eerste draden aangespannen, en daarna om en om en om, tot ze zelf nog slechts een pop was. Hoe lang zou de catatonie bij haar duren? En zou ze de kracht hebben om zich los te wrikken? Eén ding wist Elif zeker: niets zou ooit nog hetzelfde zijn.

Verantwoording:
– De titel van dit stukje proza ontleende ik aan de installatie ‘The Hegemonic Museum’, Chileens Paviljoen Biennale Venetië 2019.
– Het idee van het ei is geïnspireerd op een kunstwerk van Koen Vanmechelen, te zien in de beeldentuin van La Biomista (Genk, Zwartberg)