Categorieën
Fictie

Recht

RECHT
Roy van der Zwaard, 2020

‘Dames en heren, wilt u allen gaan staan voor het College?’
Een opdracht vermomd als vraag. De bode maakt een scheppende, bijna magische beweging met haar handen. Joris komt overeind waarbij de misselijkheid zich tussen maag en mond verspreidt en zijn keel samentrekt.

Een uurtje eerder, buiten, had hij hetzelfde gevoeld toen hij over het kale voorplein naar het gebouw van de rechtbank liep. Een grijsbruine monoliet, nauwelijks ramen. Als deze overmaat aan steen bedoeld was om je de macht van de staat te laten ervaren, dan was dat gelukt. Toen hij de kleine ingang in een hoek van het gebouw naderde, alsof hij zo naar binnen geslokt zou worden, bleef hij even staan.
‘Gaat het, schat?’’
Laura kneep zacht in zijn hand.
Binnen hadden ze zich moeten melden bij een geüniformeerde vrouw achter kogelvrij glas.
‘Wat kan ik voor u doen?’
‘Wij komen voor de tuchtzitting van elf uur.’
Haar lange vingers golfden geluidloos over het toetsenbord. ‘Naam?’
‘Corthals. Joris Corthals.’
‘Zaal 1.14, rechtdoor, trap op.’
Ze moesten een beveiligingspoortje door. Natuurlijk.
‘Jas, tas en schoenen op de band. Riem, horloge, telefoon en portemonnee in de bak.’
Een bevel heeft geen werkwoorden nodig.
Hij legde zijn koffertje op de band, zijn iPhone in de bak en de sleutel van de Tesla ernaast. Een misplaatste dinky toy in de vorm van de auto.
‘Ben u advocaat?’ De beveiliger wachtte niet op antwoord. ‘Dan kunt u hier rechts.’
Hij schudde zijn hoofd. Gelukkig hoefden Laura en hij niet gefouilleerd. te worden, maar er was geen stoel om zijn schoenen weer aan te trekken. Toen hij zijn veters strikte en overeind kwam, duizelde het hem. Hij keek om zich heen of de Welgemoeds hem misschien observeerden, maar die waren blijkbaar al binnen of kwamen nog.
Rechtdoor dus, trap op. De binnenkant van het gebouw was al net zo brutalistisch als de buitenkant. Onafgewerkte betonnen pilaren, veel donker hout. Een beetje daglicht scheen vanaf het dak in een hoge hal die toch schemerig bleef. Een duister atrium dat werd omgeven door gangen en balustrades. Een naar binnen gekeerd gebouw in de vorm van een hoekige koepelgevangenis, met de stilstaande geur van stof. Nog een trap op.
‘Ik zie mijn advocaat nergens.’
‘Rustig schat, ze zal zo wel komen.’
‘Ik ben wel blij dat het ziekenhuis een gerenommeerd advocatenkantoor heeft gekozen. Ze zitten op de Zuidas. En die Henriette is nota bene de bestuursvoorzitter.’
‘Had je al verteld. Als ze maar verstand van zaken heeft.’
Hij knikte. ‘Had ik ook al verteld dat ze gespecialiseerd is in gezondheidsrecht en plaatsvervangend rechter in Groningen?’
‘Je hoeft er niet zo opgelucht bij te kijken schat. Ik wil je niet ongerust maken, maar het ziekenhuis doet het niet voor jou. Ze proberen hun eigen reputatieschade te beperken. Als het tuchtcollege je wil schorsen, laat het ziekenhuis je meteen vallen.’
‘Dat is net wat ik horen wil.’ Hij zuchtte.
’Dokter Corthals!’
Gelukkig, zijn advocaat was er. Henriette kwam op hen af en opnieuw viel het hem op wat een goed geconserveerde vrouw ze was. Haar boven- en onderoogleden waren gecorrigeerd, haar wenkbrauwen en hals gelift. Ondanks de restauratiewerkzaamheden had ze nog voldoende mimiek. Knap gedaan. Ze gaf hem een hand en lachte haar gerenoveerde gebit bloot.
‘Uw vrouw, neem ik aan?’
Verdomme, hij had Laura voor moeten stellen, maar ze stak zelf haar hand al uit en glimlachte. ‘Fijn met u kennis te maken. Joris is zo blij met uw inzet.’
Met een knikje naar Laura pakte Henriette hem bij zijn arm en leidde hem naar een bankje. Ze aarzelde even en draaide aan een goudkleurige oorbel.
‘Denkt u eraan, dokter Corthals, u kunt niet genoeg benadrukken hoe naar u de situatie van uw patiënt vindt. Dat zal het College waarderen. Laat u niet verleiden tot persoonlijke aanvallen en houdt u zich aan de lijn van de pleitnota alstublieft.’
Ze keek hem vorsend aan. Hij meende een vleugje Rive Gauche te ruiken, dezelfde geur als van Laura. Langzaam voelde hij zich wat rustiger worden.

In de zittingszaal kondigen het zacht zoevende geluid van broekspijpen die langs elkaar schuiven en het trage tikken van hakken op de zwarte plavuizen de komst van de Collegeleden aan. Hij laat zijn blik even naar buiten glijden. Hier zijn wel ramen, hoog geplaatst in een verder met hout betimmerde ruimte. Als hij opzij kijkt naar de passerende Collegeleden herkent hij niemand. O ja, toch. Dat is die neurochirurg uit Maastricht met de scherpe neus en de altijd wat samengeknepen ogen die aan een roofvogel doen denken. Het College draagt geen toga’s. Blijkbaar wil een tuchtcollege zich onderscheiden van het strafrecht. De drie vrouwen en twee mannen lopen de treden van een verhoging op en nemen plaats onder het portret van de koning. De rechters en het staatshoofd, ze kijken letterlijk op de verdachte neer.
‘Geachte aanwezigen, ik wil u graag welkom heten bij deze zitting van het Tuchtcollege. Ik stel u eerst de Collegeleden voor.’ De vrouw die in het midden zit, zet haar bril op het puntje van haar neus en leest voor van papier.
Ernstige blikken, doodgraversgezichten. Vaak genoeg zit hij zelf zo aan een bed, met vertraagde stem en trage gebaren, het langzame hoofdknikken.
Hij voelt de warmte van Laura’s hand op zijn bovenbeen, de zachte strelende beweging. Hij kijkt naar Willem Alexander. Hermelijnen mantel van verzadigd vermiljoen, de kleur van bloed.

Aan de andere kant van het gangpad zit Theo Welgemoed. Zijn patiënt. Kan je dat nog zeggen? Ex-patiënt misschien. Welgemoed zit een beetje scheef in een rolstoel, kin op de borst, strogeel haar dat voor zijn ogen hangt. Een zonnebloem in het najaar.
Geen schim meer van de forse joviale man die hij de eerste keer in zijn spreekkamer had gezien, van de man die nauwelijks op de smalle operatietafel paste, steeds kortademiger voordat hij onder narcose gebracht werd. ‘Rustig maar, meneer Welgemoed. Denk aan uw adem. Zo ja, adem in, adem uit.’ Met viltstift had hij de juiste plek afgetekend op Bakkers geschoren schedel en Soumaya had hij de boor had laten bedienen, zijn hand op de hare om wat bij te sturen.
Hij heeft met Bakker te doen. Kom je voor de behandeling van trillende handen, is dit het resultaat. Naast Welgemoed zit zijn vouw, gebogen over haar papieren. Ingetogener gekleed dan eerder in zijn spreekkamer. Geen leer, geen diep decolleté. De beschavende kracht van het recht. Als dat mens Welgemoed opkijkt en hij haar toeknikt, staart ze onbewogen terug.

‘Voordat we aan hoor en wederhoor beginnen, zal het College de klachten en de eis van mevrouw Welgemoed, hierna te noemen klaagster, ter inleiding zakelijk weergeven.’
Als de voorzitter even stilvalt en iets in haar papieren zoekt, valt Joris de ontspannen blik in het portret van de koning op. Hém hoeft hij niet te vrezen.
‘Klaagster heeft op 12 november een klacht ingediend bij dit Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. Klaagster verwijt verweerder, de heer Corthals, dat hij doelbewust een experiment uitvoerde op haar echtgenoot. Klaagster verwijt verweerder bovendien dat hij het feit dat de heer Welgemoed door zijn handelen had kunnen komen te overlijden, veronachtzaamd heeft of dat voor lief heeft genomen. Tevens stelt klaagster dat verweerder in het medisch dossier zijn handelen heeft proberen te verdoezelen. Klaagster verzoekt het Tuchtcollege om verweerder definitief te schrappen uit het register van artsen.’
Zijn keel knijpt opnieuw samen en hij sluit even zijn ogen. Adem in, adem uit.