Categorieën
Fictie

Rauwe pijn

‘Kun je kijken zonder iets te zien?’ vraagt ze. ‘Dat is gek’, zegt hij in de war. ‘Dat is net zoiets als kun je voelen zonder aan te raken? of Kun je horen zonder te luisteren?’. Ze kijkt peinzend. ‘Ja’, zegt ze. ‘Kun je dat?’ ‘Ik denk…’, zegt hij na een lange pauze ‘…dat het wel kan. Je kunt bijvoorbeeld de zon niet zien maar toch haar warmte voelen. Misschien ook omdat je je het kunt verbeelden. Ja… dat. Verbeelden. Het heeft met je verbeeldingskracht te maken denk ik…’

Teleurgesteld kijkt ze door hun slaapkamerraam naar de weilanden. Ze had liever iets anders willen horen. Iets wat niet met verbeeldingskracht te maken heeft maar juist met het verlies van alle vormen van kracht. Verlies van zekerheden, vanzelfsprekendheden en van een zekere logica. Van werkelijkheden en ijkpunten. Dat is wat ze voelt. Verlies. Een gevoel van verloren zijn. Gebukt gaan onder bedroefdheid zonder aanwijsbare oorzaak.

Dit is een beest zonder naam. Ze voelt dit al een tijdje. Dat ze geleefd wordt zonder te leven. Dat ze niet in staat is de schoonheid van het leven te aanschouwen. Of te waarderen. Nu ook. Ze kijkt naar de weilanden, maar ziet niet hoe ze groen kleuren terwijl de zon haar opmars maakt om de dag in te luiden. Ze is leeg. ‘Waar denk je aan?’ vraagt hij.

Zijn vraag verstoort haar leegte. ‘Je bent stil. Is er iets?’ vervolgt hij. ‘Nee, nee er is niets’, liegt ze. Dit was het moment om haar kwetsbaarheid te tonen. Om hem deelgenoot te maken van haar zielenleed. Om te zeggen dat het niet gaat, echt niet gaat. Dat ze door een interne worsteling gaat tussen leven en niet-leven. Tussen lijden en dood. Tussen opgeven en echt echt echt de laatste restjes moed bij elkaar schrapen en doorgaan. Niet opgeven. Die worsteling valt haar zwaar. Ontzettend zwaar. Het liefst zou ze het van de daken willen schreeuwen: ‘IK BEN DOOD VAN BINNEN!!’ Maar zelfs daar voelt ze de energie niet voor. Dit is er aan de hand.

Er moet toch een uitweg zijn? Dit kan het toch niet zijn, of wel? denkt ze. Er moet toch licht aan het einde van deze tunnel zijn? En hoe kan het dat dit haar overkomt? Dat het haar zo verlamt? Dat het haar zo berooft van haar vreugde, haar liefde, en haar onuitputtelijke levensenergie? Wat is er met haar aan de hand? Wie is zij geworden? Wat is er van haar geworden?

Ze beseft niet dat ze de laatste twee zinnen hardop uitspreekt. Hij hoort ze en moet er een beetje om lachen. ‘Wat wil je doen? Ben je soms jezelf aan het herontdekken?’ vraagt hij op een toon ergens tussen gein en sarcasme. Vergelijkbaar met een WhatsAppbericht waarbij iemand iets venijnigs zegt, maar het bericht met een smiley afsluit; zo van ‘grappig bedoeld hoor’ maar niet heus… Ze heeft het gevoel dat hij haar bespot. Ze kijkt hem indringend aan en zegt: ‘Kwetsbaarheid zit in iedereen. Ook in jou. Als je dat doorhebt, zul je anders met mij omgaan.’ Ze gooit met een ruk de dekens over zich heen en draait haar rug naar hem toe.

Lichtelijk geschokt kijkt hij naar haar rug. Wat is er toch met haar? Ligt dit nu aan hem of is er echt iets aan de hand? Ze is zo mistroostig, zo somber. Hij ziet hoe de grond onder haar voeten aan het wegzinken is en hij weet niet hoe hij haar kan helpen. Hij voelt zich machteloos. Hij haat zijn eigen onbegrip, zijn onvermogen om haar te begrijpen. Geïrriteerd staat hij op. Hij wil deze gedachte uit zijn hoofd zetten. Zonder iets te zeggen verlaat hij de slaapkamer. Hij wil weg uit deze meelijwekkende situatie, het huis uit.

Als hij de deur achter zich sluit, valt er binnen een dodelijke stilte. Ze voelt de stilte in haar aderen. Het snijdt aan haar, snijdt in haar. Alsof duizend messen haar tegelijk steken, maar ze bloedt niet. Want ze is leeg. Of misschien is het leven uit haar gezogen. Terwijl ze dit bedenkt, voelt ze de zoute smaak van haar tranen in haar mond. Ze wist niet dat ze huilde. Ze beseft op dat moment dat ze moederziel alleen is, verlaten maar vooral achtergelaten. Het gevoel overvalt haar, benauwt haar. Alsof ze aan het verdrinken is in een zee van droefenis. Panisch gaat ze recht overeind zitten. Haar ademhaling versnelt, ze voelt haar hart in haar keel kloppen. Het lijkt alsof er iets heel zwaars op haar keel drukt. Een onzichtbaar wezen op haar keel zit en alle zuurstof uit haar lijf drukt. Ben ik aan het hyperventileren? vraagt ze zich af. Of ervaar ik een paniekaanval? Ze wil de hele boel bij elkaar gillen, maar haar stembanden laten het afweten.
Ze begrijpt deze fysieke aanval op haar lijf niet.

Terwijl ze naar lucht hapt, kijkt ze zenuwachtig om zich heen. Alsof ze iets kwijt is geraakt, iets heel dierbaars. Misschien wel de sleutel tot haar geluk, die nu opgeslokt lijkt te worden door het onzichtbare wezen. Haar oog valt op het nachtkastje, op haar opengeslagen schrijfblok. Ze had zich voorgenomen om haar gevoelens en gedachten van zich af te schrijven. Schrijven over datgene wat haar dwarszit. Schrijven om haar emoties op een afstand te leren bekijken. Een vorm van emotionele verwerking om haar uit haar wanhopige, moedeloze toestand te krijgen. Maar tot nu toe had ze dat niet gedaan. Nu grijpt ze panisch naar het schrijfblok en begint als een bezetene te schrijven. Terwijl ze haastig zinnen op het papier kwakt, valt er een waterval aan tranen op de crèmekleurige bladzijdes van haar schrijfblok. Huilend leest ze haar geestelijke kwellingen hardop voor:

‘Het gevoel van niet eenzaam zijn… bracht me daar waar ik niet wilde zijn. Mijn vrees voor afzondering is werkelijkheid…maar afgezonderd wil ik niet zijn. Mijn angst…mijn angst om alleen te zijn, om geïsoleerd te zijn, om eenzaamheid te voelen. IK BEN VERLATEN. Ik hoor niets behalve mijn ellendige gedachten…voel niets anders dan mijn ellendige gevoelens….mijn eigen ellendige-ik ontmoet. En ik haat mijn eigen ellendige-ik. Ik zit vast met die ellendige-ik….ben verstrikt geraakt in mijn angst. In DIT. Ik ben verstard, gegrepen door dit zelfvernietigende wezen, dat zich uit in verontrustende gedachten, angst en verdriet. Ik ben blijven hangen in dit diepe lijden… pijn. Het is nutteloos, waardeloos.. Ik wil het niet meer.

Ik wil DIT niet meer.’

Ze gooit zich achterover op haar kussen het schrijfblok valt op de grond. Het hoge woord is er uit, uit haar systeem. Het staat daar op die natte bladzijdes. Ze kijkt er met afstand naar. Ze heeft haar verdriet een stem gegeven. Ze heeft dit woorden gegeven. Vele woorden. Het heeft ademruimte vrij gemaakt. Ze ziet hoe het onzichtbare wezen nu op dat vel zit, niet meer op haar keel. Ze trilt, maar voelt zich kalmer. Alsof ze een heftige bevalling achter de rug heeft en bij moet komen van de adrenaline die zojuist door haar lijf gierde. Nu moet ze de naweeën nog opvangen.

Vanuit de achtergrond komen voetstappen dichterbij. Hij is terug. Hij loopt de slaapkamer binnen waar een gitzwarte wolk van rauwe pijn de kamer heeft gevuld. Hij ziet haar liggen op het bed, zwijgend en melancholisch voor zich uitstarend. Hij voelt haar stille schreeuw om erkenning. Erkenning van haar onvermogen om uit deze cocon van misère te komen. Hij kruipt bij haar in bed met zijn hoofd tussen haar roerloze armen. Hij weet niet of hij haar kan begrijpen. Haar wereld is donker, grauw en koud, al schijnt de zon nog zo uitbundig over de groene weilanden op deze lentedag. Deze gedachte over haar wereld beangstigt hem. Er kan een einde aan komen……
Een einde aan deze leegte.