Categorieën
Fictie

Pure verleiding

Ze heet Anne en als ik straks de winkel binnenstap dan hoop ik dat ze lacht, net zoals afgelopen vrijdag. Want dan weet ik het zeker. Dan is het voorbestemd.

Buiten in de kou, onder neerslag die twijfelt tussen sneeuw en regen, staar ik zenuwachtig naar de etalage waarin een verleidelijk leger bonbons in strak gelid staat opgesteld en mijn onzekerheid uitdagend gadeslaat.
Men zegt dat de eigenaar over de wereld trok om de grootste geheimen van de chocola te verzamelen. Toen hij in onze stad neerstreek kwam iedereen, ook ik, want als ieder gaat dan ga ik ook.
Maar na één blik was ik verloren, die eerste keer, echter niet waarvoor ik was gekomen. Want daar stond Anne, achter de toonbank, en meteen vergat ik alle chocoladekunst. Ze was delicater dan de beeldhouwwerken in puur, zinnenprikkelender dan de tableaus in wit en hazelnoot. Seconden regen aaneen tot een dame met een wandelstok in mijn rug prikte en fel en ongeduldig kraste dat ik op moest schieten.
‘Je houdt wel erg van chocola,’ zei Anne, toen ze een volgende vrijdagmiddag weer inpakte voor mij. Ik bewonderde de beweging van haar handen, sensueel en zeker, terwijl ze een gouden lint om wit inpakpapier strikte en de tatoeage over haar onderarm danste.
‘Een draak,’ zei ik.
‘Goed gezien. Sommige menen dat het een slang is.’ Ze glimlachte. ‘Dat is dan achttien euro.’ Ik gaf haar twintig. Wisselgeld in verrassend koele vingers stookte mijn verlangen op. ‘Geniet ervan.’

Nu ga ik naar binnen. De ouderwetse bel rinkelt de laatste onzekerheid en schuldgevoelens weg. Ze staat achter haar toonbank, in de verder stille winkel. Als ze opkijkt, sperren haar ogen een wijd welkom.
Ze lacht.
‘Hé, het is nog niet eens vrijdag,’ zegt ze en veegt haar handen aan haar schort af zodat de draak kronkelend ontwaakt.
‘Mag ik je iets vragen?’
‘Nou…’ antwoordt ze.
‘Ik ken een restaurant dat eens per maand een menu serveert, waarbij je niet weet wat je krijgt maar wat je altijd lust.’
‘Klinkt vreemd.’
‘Maar het werkt enkel als je met de juiste persoon gaat.’
‘En met wie ga jij?’
‘Met jou.’
Ze schudt haar hoofd maar lacht. ‘Onmogelijk.’
‘Misschien,’ zeg ik.
‘Goedemorgen.’ Een man stapt vanuit de opslagruimte bruusk de winkel in. Hij loopt naar haar, streelt haar rug en de lach vertrekt van haar gezicht. De man: ‘Ik heb je hier toch al vaker gezien?’
Mijn mond lijkt vol cacaopoeder.
Hij steekt zijn hand uit. ‘Ik ben Lucas. En je hebt al kennisgemaakt met Anne. Mijn inspiratie.’ Hij legt een dwingende hand op haar schouder. Ze maakt zich los. Pakt fel de chocola in. De wereld geurt bitter en de winkel smelt voor mijn troebel, beslagen ogen.
Hoe kon ik zo dom zijn? Zo naïef?
‘Achttien euro,’ zegt ze en ze schuift iets in goud en wit over de toonbank naar me toe. Ik betaal, pak, ren en ben al buiten.
De neerslag heeft hagel besloten.

Als ik thuiskom, kijkt Mathilde mij verward aan. ‘Wat ben jij vroeg van je werk.’
‘Ja.’ Ik geef het pakketje van Dromen in Puur aan haar, trek haar naar me toe, duw mijn mond op de hare en proef oude koffie op haar tong.
‘Kom mee naar boven,’ zeg ik.
Maar als ze bovenkomt heeft ze het inpakpapier in de hand. Er is iets op geschreven, aan de binnenkant. Een naam, woorden, een telefoonnummer. Mathildes stem trilt.
‘Wie is Anne?’