Categorieën
Fictie

Protestoner

Mijn ouders waren protestants in de zin van ‘doe maar heel erg lijden, maar kies er wel zelf voor.’ Omdat ze geloofden dat alleen volwassenen konden kiezen voor het geloof behoorden ze feitelijk tot de anabaptisten, de wederdopers, dat had ik uitgevogeld op het wereldwijde web, maar daar had ik mijn ouders nooit over gehoord. Het was me onduidelijk of ze überhaupt wisten wat anabaptisme inhield en of ze zich verwant voelden met Felix Manz, de eerste martelaar van de wederdopers die op 5 januari 1527 tot de symbolische verdrinkingsdood was veroordeeld. Vermoedelijk niet.
De verdrinkingsdood, het kon erger. Volgens een artikel in NRC was “verdrinken een complex proces” waarbij “een ‘duikreflex’ de hartslag vertraagt en de bloedcirculatie zich concentreert tussen het hart, de hersenen en de longen. Door ‘stembandkramp’ sluiten de longen zich ter hoogte van de stembanden zodat je geen water ‘inademt’. Ten slotte is er het zuurstofgebrek dat leidt tot bewusteloosheid en – als het te lang duurt – een fatale hartstilstand. Tien minuten onder water overleven de meesten, daarna houdt het snel op.” Ooit had ik gehoord dat je bij verdrinken in een hallucinatoire onderwaterwereld komt en dat werd in dit artikel mijns inziens onderschreven doordat “zuurstofgebrek kan maken dat je wegglijdt in een “schemerwereld waarin pijn en ellende minder ervaren wordt”.”
Dat klonk goed.
Het artikel besloot enigszins pikant, waarbij er een parallel getrokken werd met ‘wurgseks’, “waarbij het afknijpen van de adem ook prettig schijnt te zijn.”
“Waarvan akte!” dacht ik nog niet net hardop, nipte van de koffie en rookte. Was roken ergens ook niet een soort wurgseks? Ik blies een pluim rook uit en stond op.

Aan de overkant had ik uitzicht op de buren. De gordijnen waren dicht. De bakstenen muur staarde me, zo leek het, met de nek aan. Antonius zou zeggen dat ik mezelf met de nek aankeek, als een reproduction interdite van Magritte, want wat je je verbeeldt zegt onherroepelijk iets over jezelf, hoe je in het leven staat – omhels je het, of ben je bang? En waar ben je dan bang voor? Onderzoek het, neem nog een hijs, ga dieper, ga verder. Wie ben je, volg het licht en alles wat zich ervoor werpt is schijn, een prisma die de werkelijkheid vervormt, een diafragma. Haal het weg, haal alles weg, tot alleen “het Licht” overblijft…
Ik werd moe van die stem in mijn hoofd die me continu achtervolgde.
Stop het Licht lekker in je reet, Antonius.
Ik keek naar het driehoekige punt van het dak van de buren. Links daarvan was een terras, waar soms een kat naar mijn kamer keek. Niet vandaag. Ik liep iets meer naar het raam, keek naar rechts. Op het einde van dit dak, een driehoekvormige richel, stond soms een duif. Soms twee. Vandaag niet. Ik nam een hijs, een slok. Mijn blik verplaatste zich van het gebied achter het raam, naar het raam zelf. Stoffig, ongelapt. Met vingers waren er ooit figuren in gesmeerd door een ex. Een ster, een hartje, enkele onleesbare tekens. Het was er al zo erg ingetrokken dat ik, als ik er overheen wreef, het niet meer kon doen verdwijnen.
Als bijbaantje werkte ik in een pandjeshuis. Deze dag was het kijkdag, wat betekende dat klanten kwamen kijken naar wat er de week erna geveild zou worden en ik zou dan op verzoek een sieraad aangeven zodat zij deze nader konden inspecteren. Elke “zindelijke mongool,” om het even poëtisch te zeggen, kon dat werk in principe verrichten. Maar ze betaalden me redelijk. Ik zeurde niet. Of, ik mocht niet zeuren, dat was iets anders. In wezen schreeuwde mijn hele ziel in weerzin van de dag die komen zou. Niet weer, schreeuwde het, niet weer, alsof er gevraagd werd mijn pols te breken.
Zo erg was het niet. Het voelde gewoon zo doelloos, zo afstompend, zo beperkend, zo vernederend, zoals de meeste banen in de kern waarschijnlijk aanvoelen. En dat allemaal voor een handjevol duiten. De dankbaarheid dat ik een witte jongeman was in een welvarend deel van de wereld voelde ik maar minimaal. Ik was er me ergens wel bewust van, maar het bood geen troost dat ze in India met z’n honderden in een treinwagon werden gepropt, of dat er in Amerika mensen sneuvelden door onnodig vuurwapengeweld, of neem een facet van de kwestie Afrika. Om maar iets te noemen. Het maakte niet uit.

In de asbak zag ik een stompje van de joint liggen die Antonius en ik een paar uur geleden nog hadden gerookt. Ik zag weer voor me hoe die malle jongen op de tafel had gestaan, orerend als Christus op de berg, hoeveel middelen hadden we wel niet opgesoupeerd? De LSD was nog altijd niet uitgewerkt, dat kon ik zien aan de peuken die als maden krioelden in de asbak, maar de tijd drong en daar stond ik straks weer als een idioot met knijpers in de knuisten tweedehands sieraden aan te geven. Ze waren dan op papier misschien honderden, soms zelfs duizenden euro’s waard, gemaakt van goud, zilver, diamant – in mijn ogen was het allemaal vuilnis, nutteloze glinsteringen, niet in staat tot ook maar enige zelfreflectie. Een sporadisch langs zoemende vlieg had in mijn ogen meer waarde, vanuit psychedelisch perspectief, dan een stuk diamant. Ik zat, kortom, in het verkeerde vak.
Eergevoel en grenzeloze ambitie behoedden me ervan ontslag te nemen. Om wat te doen? De bedelstaf op te rapen? Iemand van mijn statuur bedelde niet, die eiste geld op. Althans, zo zou het moeten zijn, in mijn ogen. Mijn witte privileges waren niet toereikend: ze moesten mij geld verstrekken voor het feit dat ik ademde. Zo zag ik dat. Eenieder die met minder genoegen nam ontbrak het aan ambitie.
Hoe zou ik dat verwezenlijken? Dat was de grote vraag.

Terwijl ik voor het raam stond, tankte ik binnen een aantal minuten het lichaam bij aan de benzinepomp van cafeïne en nicotine. Met het kleffe stukje sjek tussen de schrale lippen en de smaak van koffie eraan vast schilderde ik de pupillen in mijn irissen. De wrange smaak van de niets ontziende morgenstond, die zo vroeg al een leger aan dromen had gebaard, werd weggespoeld door die van koffie en sjek. Ik ontwaakte.
Zo was het, wakker te zijn. Bemoederende gedachtes kwamen tevoorschijn.
Ik hoefde maar een aantal uurtjes te werken, vier á vijf. Daarna was ik vrij om te doen wat ik wilde. Vergeleken met andere mensen mocht ik niet klagen.
(Niet dat dat me iets zei.)
Het was al kwart voor tien, veel mensen waren dan al bijna twee uur aan het werk.
(Ook dat bood eigenlijk geen enkele troost.)
Wat zou ik doen als ik om drie uur vrij was? Mezelf trakteren op soep? Bier? Zou ik mijn vrienden weer eens bellen? Of lekker vroeg naar bed… Niet aan denken.
Vooral niet denken.

Steeds iets minder langzaam voelde ik mijn blik van binnen naar buiten keren. Het levende standbeeld dat ik was, met de armen die traag en regelmatig naar de mond bewogen voor een hijs en een slok, veranderde weer in iets dat als een mens herkend kon worden.
Boven de wasbak probeerde ik haastig de in dromerijen verloren tijd in te halen, de cafeïne begon te werken, mijn olie. Lichtbruin speeksel vermengd met een wolkje tandpasta spuugde ik in de wasbak naast het bed, terwijl een ongeschoren, oververmoeide kanis me ongegeneerd in de spiegel aanstaarde. Mijn priemende ogen hadden schijt aan de ochtend. Ik schrok er van hoe ongecamoufleerd de bundeling vermoeidheid in mijn oogopslag besloten lag. Daar kon zelfs de koffie niets aan doen. Mijn blik versprong naar de onderste helft van het gezicht. Ik zag hoe handen van beharing mijn wangen en kin in een stevige greep gevangen hadden, maar tijd om me te scheren ontbrak.
Jammer dan.