Categorieën
Fictie

Proef

Zodra Vincent de deur opende zag hij dat het mis was. Koekrollen en zakken chips lagen opengescheurd op bank, bed en tafel. Dat ze het niet eens meer voor hem verborg stoorde hem misschien nog wel het meest. Ze wíst dat hij zou komen. Intimiteit noemde ze dat, hem haar meest kwetsbare kant tonen. Hij kon het alleen maar zien als het soort van intimiteit dat iemand ertoe bracht ongegeneerd op de plee te gaan zitten terwijl de ander onder de douche stond. Misselijk werd hij daarvan. En Emma ook, hoorde hij nu.
‘Emma, gaat het?’ riep hij weinig gemotiveerd. Hij liep een paar passen richting badkamerdeur maar bleef toen staan. Op tafel lagen drie onaangetaste chocoladebiscuits. Hij pakte er een op, bekeek het van beide kanten en stopte het in zijn geheel in zijn mond. Hij wachtte tot het speeksel in het biscuit trok, de chocolade zich smeltend door zijn mond verspreidde. Toen zoog hij het met een korte beweging van zijn huig los van zijn gehemelte en brak het in tweeën.
De kokhalsgeluiden uit de badkamer maakten plaats voor het gekletter van douchestralen. Dat kon dus nog wel even duren. Hij hing zijn jas over de stoel en sloeg de kaft open van de The New Yorker die op tafel lag. Al bladerend besefte dat hij het tijdschrift al van voor tot achter had gelezen. Verveeld keek hij om zich heen. Op de bank lag de krant en de biografie over Mileva Einstein die hij Emma had gegeven. Naast het boek lag een opengevouwen brief. Zijn kaakspieren verstrakten.
Dat logo.
In twee stappen was hij bij de bank, griste het vel van de zitting en zag wat hij vreesde. Harvard University – compleet vergeten dat hij Emma als contactpersoon had opgeven. Nu had zij de brief geopend. De ravage in de kamer werd hem plots een stuk duidelijker.
‘Dear Mr. Vernooij,’ las Vincent, ‘since you did not respond to our repetitive requests to contact us in order to discuss the details of your study program and accommodation, we have decided to offer the grant to another candidate.’
Nog voor hij zich op zijn reactie kon beraden stond ze al voor hem, de handen in de zij. Ze had haar handdoek als een tulband om haar hoofd gewikkeld. Een sliert haar hing druipend over haar wang naar beneden.
‘So, Mister Vernooij, it seems that chances have turned against you,’ kwaakte ze spottend.
‘Jezus, Emma, sorry…,’ hij reikte naar de lok op haar wang.
Woest duwde ze hem weg, liep bij hem vandaan en draaide zich weer om.
‘Godverdegodver Vincent! Wat dénk je wel niet? Waar zít jij met je hoofd? Of was het allemaal allang voorgekookt in dat hoogbegaafde brein van je? Leuk, Emma gek maken met verhalen over Harvard,’ bauwde ze, ‘haar verleiden met verhalen over Einstein en Mileva, dat we net als hen de geheimen van het universum gaan ontraadselen. En dan op het allerlaatste moment, als álles voor haar studie in kannen en kruiken is en ze onmógelijk nog terug kan, komen aanzetten van: “Shit Emma, ik heb die beurs tóch niet gekregen. Het wordt nu wel érg duur. Maar jij moet je kans natuurlijk niet laten schieten.” De ideale dump, Mister Vincent Vernooij!’
‘Emma, hou op! Zo is het niet!’ Zijn stem schoot omhoog. ‘Ik bedoel…, ja ik hád mijn twijfels over Harvard en onze relatie. Maar dat probeerde ik je juist te vertellen met dat voorbeeld van Einstein en Mileva!’
Hij haalde zijn vingers door zijn haar, dwong zichzelf tot rust.
‘Het was juist die hartstocht die hun intellectuele band verwoestte,’ vervolgde hij zachter, ‘dat voortdurende verlangen om bemind te worden, bewonderd, erkend door de ander. Het maakte hen afhankelijk, verbrak de gelijkwaardigheid tussen hen. Mileva offerde haar talent uiteindelijk op aan de wetenschappelijke carrière van haar man.’
Emma zweeg. Hij deed een stap in haar richting.
‘Zag je dat dan niet, Emma, dat ik je dat probeerde te vertellen? Dat we uit elkaar moeten om er voor elkaar te kunnen zijn…?’
‘Dat hoeft bij óns toch niet zo te zijn, dat was toch een heel andere tijd!’
‘Maar ik zie het al gebeuren, Emma…’
Gepijnigd wendde ze haar blik af.
‘Ik zie anders ook iets gebeuren,’ snoof ze, ‘jij verstopt je achter een fraai feministisch betoog maar bent gewoon een klassiek gevalletje man-met-bindingsangst. Een typische wegloper, mansplainer bovendien!’
‘Daar héb je me,’ grinnikte hij.
Verrast keek ze op, haar neusvleugels bewogen licht. ‘Zijn we na al die feministische golven nog geen donder opgeschoten,’ grijnsde ze.
Hij knikte, staarde naar het snippertje goud in haar grijze ogen. Verdomme, hij híeld van deze vrouw.
Ze liep op hem toe – hij trok haar in zijn armen.
‘Ik wilde er zó graag voor gaan, voor jou en mij!’ zuchtte Emma op zijn schouder. ‘Maar het gaat niet hè, Vince… ik wil me in de dingen verdrinken, me erin vastbijten…’
‘Je ermee volvreten,’ vulde hij aan.
‘Klojo!’ zei ze, terwijl ze hem zacht in zijn buik stompte.
‘En ik wil de dingen aanschouwen, laten passeren…’
‘Eraan proeven,’ zei Emma en streek met haar tong zacht over zijn lippen.
Hij zoende haar terug – kort, stevig – proefde haar tandpasta.
‘Dus geen Harvard? Geen carrière in de natuurkunde?’ vroeg ze.
Vincent pakte de brief en liep ermee naar het raam. De Turkse slager aan de overkant kreeg verse voorraad. Een ontveld schaap hing rozerood aan een pin in de koelwagen. De poten van het beest zwaaiden als pendels in het rond toen de slager het over zijn schouder gooide.
‘Nee.’ Hij draaide zich weer om. ‘Geen Harvard voor mij. Geen verdieping in het ene ten koste van al het andere. Ik wil de veelheid van het leven ervaren, haar complexiteit, haar meervoudigheid…’ Hij glimlachte naar haar. ‘Alleen dan kom ik naar mijn idee het dichtst bij het geheim van het universum.’
Emma knikte en zakte neer op de bank.
De kraan in de keuken drupte. Vijf holle tikken water op zink.
Toen ze weer wat zei klonk haar stem vlak. ‘Oké, Vincent. Het is goed, maar dan wil ik dat je nu gaat. Ik bel je binnenkort. Dan kunnen we wat regelzaken bespreken.’
‘Okay…, maar dan bel ik nu wél Saskia om te vragen of ze naar je toe komt, want …’
‘Je waagt het niet!’ onderbrak Emma hem met rauwe stem. ‘Geen medelijden, dat verdraag ik nu niet. Ik wil dat je nú gaat.’
Vincent kneep zijn ogen dicht tegen de plots opkomende duizeling: zo ging het te snel, zo had hij het niet gewild! Hij opende zijn ogen, zocht steun bij de hare. Maar Emma staarde onbewogen naar hem terug.
Met een licht hoofd liep hij naar de stoel, pakte zijn jas en ging.

Buiten sloeg hij de sjaal om zijn nek en snoof diep, geconcentreerd in. Een miezerregen verfriste zijn gezicht, zijn middenrif ontspande. Zo was het beter. Gewoon doorgaan, op naar de volgende scène uit zijn leven.
Hij stak zijn handen in zijn jas en begon te lopen. Meeuwen krijsten opgewonden boven de hoge gevels van de grachtenpanden. Het was markt vandaag, schoot hem te binnen, misschien kon hij het staartje nog meepikken. Opgelucht versnelde hij zijn pas en sloeg de steeg in naar het Vredenburg. Op naar het paradijs der alledaagsheid, het koninkrijk der gewone man!
Bij de stroopwafelkraam stond een vrouw van een jaar of zeventig. Ze was fors, massief zelfs in haar grijsblauwe regenjas. Haar ene hand rustte op een kruk, met de andere at ze een reuzestroopwafel.
Telkens bracht ze haar hand naar haar mond, duwde met haar kin het servetje naar beneden en hapte. Dan liet ze haar arm weer zakken en nam de omgeving kauwend in zich op.
Vincent bleef staan: ze was prachtig. Ze ging volledig in die handeling op te midden van de murmelende, voortbewegende massa. Zij stond en at, volkomen ongevoelig voor de hectiek om haar heen en toch kwetsbaar – op die leeftijd, met die krukken.
Na de vierde hap ontmoetten haar ogen de zijne. Vincent trok zijn mondhoeken in een lach en knikte haar vriendelijk toe. Een fractie van een seconde bleef haar hand voor haar mond hangen. Toen wendde ze haar blik af en vervolgde het ritueel.
Dit zou Emma moeten zien, bedacht Vincent – en schrok van die gedachte.
Kort schudde hij zijn hoofd en liep door.
De schemering zette in. Marktkoopmannen gingen in de weer met palen en zeildoeken. Vincent stak de straat over en liep het stadspark in.
Een merel begon zijn avondlied, Vincent keek op, zocht hem in de boom. Een druppel regen viel op zijn lip, behoedzaam streek hij hem op. Het vocht mengde zich met de smaak van chocola én met iets anders. Hij proefde: het was muntachtig, smaakte naar tandpasta.
Emma.
Ditmaal nam de duizeling hem genadeloos in bezit. Hij drukte beide handen tegen zijn slapen, zocht beschutting bij de boom en zakte door zijn knieën.