Categorieën
Fictie

Poging 2

In de rurale regio waar mijn ouders ons in de jaren ‘90 naartoe verplantten, maar waar ik nooit echt wortel schoot, is een deurbel een danig onderbenut object. Er wordt meer aan “rondgaan” gedaan. Het is een onuitgesproken gewoonte die een warm soort vertrouwdheid veronderstelt en die ik in de stad soms mis. Dat besef ik terwijl ik rond het kleinschalige appartementengebouw stap waar mijn grootouders, die meer dan een decennium geleden ook groenere grond in de buurt opzochten, het gelijkvloers bewonen. Ik heb hen eergisteren gewhatsappt dat ik kom; een aankondiging die, dat weet ik zeker, tegelijk voor euforie en agitatie zorgde. Bezoek van het kleinkind is, hoe frequent en uitgebreid ook, altijd te weinig en te kort. Wanneer het zover is, moet dus al-les he-le-maal per-fect zijn, zodat de gezelligheid nog dagen kan nazinderen. Ik tik op het grote schuifraam; de moeder van mijn vader snelwandelt net zoals hij dat doet de woonkamer door en de vader van mijn vader verroert geen rimpel, ook zoals hij dat doet.

“Dag chouke!”
Er hoort een gulle knuffel bij de begroeting, maar haar ontfermende ondertoon verraadt dat ze het nieuws al heeft gehoord.
“Heyhey”, krijg ik temidden van de lichte verstikking er nog uitgeperst.
“Hoe is het? Kom, hier, zet je.”
Ze schuift een eetkamerstoel naar achteren, maar blijft zelf staan.
“Goh, kon wel beter”, lach ik droogjes. “Ik heb…”
“Wat wil je drinken? Ik heb Cola Zero, Agrumes, koffie, thee, of een wit wijntje kan ook natuurlijk.”
Ik moet snel schakelen van de zin die ik wilde beginnen naar een nieuwe.
“Een theetje wil ik wel.”
Ze draait de hoek om, ik maak van de tussenpauze gebruik om mijn jas uit te doen.
“Wat wil je? Rozenbottel, kamille, Early Grey, munt,…?”
“Earl Grey is goed.”
Ze pikt de verbetering niet op.
“Bèrreke, wil jij ook koffie of thee?”, roept ze mijn opa toe.
Het is de eerste keer dat hij opkijkt van zijn verouderde spelconsole waarop hij enkel Tetris – beter bekend als “Blokken” – kan spelen (weliswaar uren aan een stuk, met een recordscore van meer dan twee miljoen als gevolg).
“Een koffietje, poeske”.
Beertje en poesje, koosnamen uit een vorig leven waarin nog geweigerd werd ouder te worden.
Oma duikt opnieuw de keuken in. Ik hoor haar het koffietoestel opstarten, kijk over mijn schouder naar opa en bedenk dat zij natuurlijk tot een generatie behoren waarin het volstrekt normaal is dat hij verzonken in de zetel bij het raam blijft zitten terwijl zij in alle opwinding orde probeert te scheppen in de uit te voeren handelingen.
“Ben je aan het winnen?”, vraag ik hem schalks.
Ik overval hem met deze rechtstreekse aanspreking en hij kijkt guitig op, betrapt dat hij zich nog niet bij het grote-mensen-gesprek heeft gevoegd.
“Goh, niet speciaal hoor. En ik kan altijd nog eens proberen hé?”
Hij legt het toestel weg en komt mee aan tafel zitten.
“Wel, vertel eens, wat hebben we gehoord?”, probeert hij de conversatie opnieuw te starten.
“Heeft papa al wat verteld dan?”, kaats ik terug.
“Chouke, wil jij suiker of honing bij de thee?”
De interventie van oma is in haar hoofd duidelijk dringend. Ze is zenuwachtig en ongeduldig, ze wilt zo snel mogelijk haar lijstje afwerken: water koken, theetas klaarzetten, onderbordje
niet vergeten, lepeltje erbij leggen, theezakje erin doen, thee-timer zetten, zoetstoffen voorzien. Ik had voor de witte wijn moeten gaan.
“Nee, dat hoeft niet.”
Ze verdwijnt weer.
“Jouw papa heeft alleen gezegd dat het niet zo goed gaat op het werk?”
Opa doet alsof de onderbreking er niet is geweest. Mijn psychische versnellingsbak mag stevig aan de slag deze donderdagnamiddag.
“Niet zo goed is wel een understatement dan. Het gaat gewoonweg niet meer. Er zijn in het verleden al verschillende lastige situaties geweest, dat heb ik verteld hé, maar ik vond het toch altijd de moeite om daar voorbij te kijken, in de hoop dat er nog wel iets zou veranderen, of dat ik iets kon veranderen. Alleen is dat de afgelopen maanden bijna onmogelijk geworden door…”
“Hier is jouw theetje, en voilà, de koffie. Ik kom direct terug met nog een stukje cake. Je wilt toch een stukje cake? Appel-kaneel, je weet dewelke?”
Uiteraard weet ik dewelke, mijn favoriet. Dat ik eigenlijk even off-sugar ben omdat ik mezelf dik aan het emo-eten ben geweest en me elke dag voor de kleerkast ongelukkig voel, kan ik hier niet tegenin brengen. De onbetwijfelbare logica luidt: grootouder bakt, kleinkind eet.
“Oh, ja, heel graag! Ik dacht al dat ik iets lekker rook!”, en ik voeg er nog een knipoog aan toe.
“Daarstraks gebakken, ik denk dat ie misschien nog wat warm is.”
Met een zekere trots begint ze in de keuken aan de volgende tergende sequentie: cakebordjes nemen, cakemes zoeken, cake snijden (altijd de eerste plak te dik, de volgende te dun), cake op bord leggen, papieren servetten grissen en in een driehoek plooien, de juiste vorkjes erop schikken. Ik heb ondertussen geleerd dat ik niet moet aanbieden te helpen. Of te verzekeren dat ik geen haast heb, dat er geen bij-praat-timer staat af te tellen. Geen van beiden hebben enige impact. De dingen gaan zoals ze altijd gegaan zijn.
Ik richt me terug tot opa en probeer, tegen beter weten in, mijn verhaal verder te zetten.
“Ja, dus, de afgelopen maanden is het echt ontzettend zwaar geweest, met het vertrek van de directrice en de communicatie-collega – weet je nog? – en dan al die sessies, ook met die consultant, over een nieuwe organisatiestructuur, en een nieuwe locatie, en ondertussen verschillende projectdeadlines waarvoor ik dan verantwoordelijk werd. Oh, kijk eens aan! Dat ziet er heerlijk uit!”
Terwijl ze de cakebordjes voor ons zet, overloopt ze nog eens nauwlettend wat er precies op tafel staat om vervolgens, eindelijk, opgelucht naast me neer te zijgen, haar hand op mijn
schouder.
“Proef maar eens. Is hij lekker? Niet te droog?”
Elke keer dezelfde geveinsde bescheidenheid.
“Nee, echt superlekker. Zo smeuïg en toch nog krokant aan de randjes; da’s het beste hé.”
Elke keer dezelfde terechte lofrede.
“Er is nog hé! Of je kan nog wat stukjes meenemen voor thuis? Ik kan ze dan in de zak met de soep die ik voor jou al had uitgehaald steken. Doe me eraan denken als je vertrekt, anders vergeet ik het.”
Er hangt nochtans ook deze keer een gele post-it op de koelkastdeur met mijn naam op, gevolgd door “SOEP!!!”
“Ah, dat is heel lief. Dat zal ik niet vergeten hoor”, en dat meen ik.
“Poeske, mag het kind dan nu verder vertellen?”, stelt opa weinig subtiel.
“Natuurlijk, ja, sorry! Vertel!”

Zoals ik me had voorgenomen, vertel ik vrijelijk dat het echt niet zo goed met me gaat. Na een paar minuten daagt het me echter dat ik louter dooddoeners als reactie krijg. “Oei, ja, dat is lastig” en “Dat moet je zelf zien hé” en “Och, het zal wel goed komen.” Ik realiseer me dat zij bij uitstek ook een generatie zijn die niet over gevoelens of mentale gezondheid heeft leren praten. Dat een begrip als “therapie” voor hen niet dient om expliciet te gebruiken. Dat een concept als “burnout” onwaarschijnlijk moeilijk voor te stellen moet zijn voor een man die zijn professionele toppen scheerde in de jaren ‘70 en ‘80 in de medische technologie branche en een vrouw die vanaf haar 23ste huismoeder was. Ik voel dat, ongeacht hoe oprecht hecht wij ook zijn, ik dit niet ten volle met hen kan delen. Ik hoor mezelf dwaas zeggen: “Ja, het heeft wat tijd nodig denk ik. Zeg, de viooltjes staan mooi hé?