Categorieën
Fictie

Pluimbeest

Een dood konijn was de aanleiding voor onze eerste ontmoeting. Konijnen zijn van nature gezelschapsdieren. Daan was geëmotioneerd uit school gekomen met het verhaal van Witsnuitje, die eerst ziek was geworden en dat helaas niet had overleefd. Stampertje was alleen overgebleven en wilde nu niet meer eten. Daan had de oplossing bedacht: Stampertje had een knuffelkonijn nodig. Morgen ging hij bij het klasgenootje in rouw spelen. Konden wij op zoek naar een knuffel? Mijn budget was niet toereikend voor een nieuw exemplaar. Samen gingen we op kringloopstrooptocht.

Na een paar kringlopen, kwamen we in een hele hippe. Hier liepen schatzoekende huismoeders, speurend naar een houten stoel van de juiste makelaardij, een vergeten jaren zestig design schemerlamp of misschien een per ongeluk te laag geprijsde emaillen zand-zeep-soda-set. Tussen hun schreeuwende kinderen in een hoek achteraf vonden we het speelgoed. Er lag een omgevallen mand met stoffige knuffels. Daan toverde uit de hoop een perfect konijn voor Stampertje. Mijn oog viel op Pluimbeest.

Met zijn uiterlijk had Pluimbeest het niet echt getroffen. Hij was vooral wit. Aan beide kanten van zijn platte ronde hoofd, de vorm van een bal waar iemand op had gestaan, zat een oog. De vorm hiervan deed denken aan het boze oog. Over zijn platte, ovale lijf liepen twee strepen, met donkerroze gezet en geel ingekleurd. Onder zijn buik bungelden vier donkerroze poten met zwemvliezen, te veel om hem nog een vogel te noemen. De maker had zich daar niet aan gestoord en hem een grote roze snavel gegeven. Hij droeg een vrolijk geel hoedje en dan was er nog zijn staart van oranje pluis. Het leek er willekeurig aangenaaid alsof dit missende onderdeel hem compleet zou maken. De uiterlijke kenmerken waren al genoeg om als knuffel in vrijwel nieuwstaat bij de kringloop te belanden. Pluimbeest maakte ook nog geluid, een laf muziekje, dat klonk als plie-lie- lie-plie-lie-ie-pliep. Hij was onweerstaanbaar. Samen met het konijn namen we hem mee naar de kassa.

Thuis was niet de juiste plek voor Pluimbeest. Hij was te kitsch voor de vensterbank, te klein voor de bank en maakte te veel geluid voor de slaapkamer. Ik nam hem mee naar werk. Zijn aantrekkingskracht bleef niet onopgemerkt: hij werd de teammascotte. Na onze tweewekelijkse retrospective, mocht hij plaatsnemen op het bureau van de meest gewaardeerde collega. Zo kreeg zijn leven al snel een aangenaam routine. We voegden er zelfs avontuur aan toe. Pluimbeest was met zijn exotische uiterlijk een fotogenieke medereiziger op vakanties. Hij ging op wintersport, vloog naar Turkije, liftte mee over de Autoroute du Soleil, bakte in de zon op een Grieks eiland en geocachte in vergeten Duitse bossen. Hij poseerde in zand, sneeuw en zon, terwijl zijn poten nutteloos omgeslagen naast zijn lijf lagen. Zijn geluid liet hij overal horen: ‘plie-ie-ie-liep’. Jaren hadden we dit ritme vast kunnen houden. Pluimbeest was wellicht steeds een beetje grauwer en stiller geworden. Alleen waren wij niet zomaar een team, wij waren een Toeslagenteam.

Bij Toeslagen zijn er regels, veel regels. Regels over kantoren, spullen en over bureaus. Pluimbeest kreeg te maken met de uitvoerder van het ‘clean desk policy’ beleid. Weerloos zag hij hem aankomen. Geklemd onder de arm van deze voltrekker van de wet, verliet hij het kantoor. Zijn poten bungelden hopelozer dan ooit, hij verdween in de duistere ingewanden van het systeem.

De ontzetting in ons team de volgende dag was groot.
‘Zinloze actie.’
‘Hij lag hier maar gewoon.’
‘Wie loopt hier eigenlijk buiten kantoortijd door onze bureaus te neuzen?’

We zinden op wraak en schakelden onze manager in.

Bij een eerdere kwestie had zij haar positie laten gelden. Aan onze voetbaltafel hing een A4’tje waarop stond: ‘Deze tafel staat hier met toestemming van de manager van Toeslagen.’ Niemand die er nog een vinger naar uitstak. Vooruitdenkend vroegen we ons af of Pluimbeest straks een tiewrap om zijn nek zou moeten dragen, met zo’n A4’tje eraan. Zelf dacht ik direct aan mislukte vakantiefoto’s.

De manager wist raad. In mijn mailbox verscheen een formulier: ‘Protestformulier persoonlijke bezittingen.’ Naast locatie en tijd van vermissing was ruimte voor een omschrijving: ‘Wit beest met een geel hoedje, gele strepen, een lichtroze snavel en donkerroze poten.’ Met het formulier stuurde ik nog een kiekje in de sneeuw mee. Mijn formulier kwam binnen bij de afdeling huisvesting en zij gingen er binnen de gestelde termijn van een week mee aan de slag.

De afdeling huisvesting bleek een eigen magazijn te hebben voor geconfisqueerde persoonlijke bezittingen. Pluimbeest zou daar ondergebracht kunnen zijn.

Tijdens de lunch konden we niet meer overgooien met Pluimbeest. Het kantoor oogde kaal, zonder zijn gele strepen. De sfeer in ons team was veranderd in een broeierig ‘wij versus de staat.’

Ondertussen kreeg een magazijnmedewerker onze zoekopdracht doorgegeven. Hij werd net ingewerkt en moest de weg in het magazijn nog leren kennen, daarom ging hij met een zaklamp in de aanslag op zoek. In ieder geval in onze verbeelding. Pas enkele dagen later kregen we bericht van het hoofd van de afdeling huisvesting: Pluimbeest was gevonden en kon door één van ons persoonlijk afgehaald worden bij het loket.

Bij de balie van het loket, zag ik hem liggen. Een beetje bleekjes met een trek om zijn snavel, alsof hij iets zou willen vertellen over al het persoonlijke leed dat hij in het magazijn had gezien. Het was duidelijk zwaar geweest en had zijn weerslag op de staat van Pluimbeest gehad. Ik pakte hem op, hij zei amper hoorbaar: ‘piep.’