Categorieën
Fictie

Perverse kilte

‘Of je doet mee aan een wedstrijd,’ zegt Sylvia. Ze swipet over haar smartphone en houdt het toestel naar me omhoog. ‘Deze?’
Debutantenschrijfwedstrijd, lees ik.
‘Maar gooi niet weer je eigen glazen in.’ Ze kijkt me aan met een blik van je-weet-waar-ik-op-doel.
‘Hoezo? Hoezo mijn eigen glazen?’
‘Je drang tot mislukken, je weet wel.’ Ze neemt een laatste slok van haar jus d’orange, staat op en verdwijnt naar de slaapkamer, tevens mijn schrijfkamer sinds ik bij haar ben ingetrokken. Eerst beklaagde ze zich over ruimtegebrek, maar ze heeft zich erbij neergelegd. Het is tijdelijk.
Ik haal het schone serviesgoed uit de vaatwasser en ruim de ontbijttafel af. Sylvia kust me gedag. Ze doet iets met marketing. Wat precies weet ik niet. Als ik de buitendeur hoor dichtslaan zet ik koffie. Ik ga zitten achter mijn bureau – haar bureau – en schrijf de eerste alinea’s van een kort verhaal. Ik heb ergens gelezen, bij Kollaard geloof ik, dat elk boek in essentie gaat over het ontstaan van dat boek. Daar ga ik iets mee doen.
Na het schrijven begin ik met schoonmaken. Vandaag is badkamerdag. Sylvia heeft een schema gemaakt. Ik ruim de douche uit, maak de kastjes schoon, boen de vloer en zet de potjes (doppen ook afnemen, de noten in het schema ken ik uit mijn hoofd) terug op hun plaats. Dan kook ik aardappels, alvast voor het avondeten. ‘s Middags werk ik aan mijn roman. Sylvia wil me helpen aandacht te trekken van uitgevers, vandaar die wedstrijd. Het is geen slecht idee, al geloof ik meer in een rel, ophef. Het één hoeft het ander niet uit te sluiten.
Om zes uur bereid ik het avondeten: een aardappelsalade met cashewnoten en feta.
Sylvia kust me hallo.
Ik schep op en vul haar glas met witte wijn.
‘Ik zal voorlezen wat ik heb,’ zeg ik als we aan tafel zitten. ‘Het verhaal gaat over de totstandkoming ervan.’
‘Van je roman?’
‘Van het verhaaltje zelf. Voor die wedstrijd.’
Ze kijkt me niet begrijpend aan. ‘Maak het niet te moeilijk.’
Ik haal het opgevouwen A4tje uit mijn borstzak en lees voor.
Ze onderbreekt me: ‘Dat is gewoon een verslag van je dag!’
‘Juist. Het begon ermee dat jij dat opperde, van die wedstrijd.’
‘Hoezo beklaag ik me over ruimtegebrek? Ik beklaag me niet… we wonen te klein, dat vind jij ook.’ Ze gaat met haar tong langs haar lippen en trekt een vies gezicht. ‘Wat zit er in die salade? Ik proef mijn wijn niet.’
‘Knoflook, sinaasappelsap, cayenne …’
‘Cayenne. Dat zal het zijn.’ Ze helt naar het wijnrek onder tafel, in de loze beenruimte aan de muur. ‘De lezer is je klant,’ zegt ze terwijl ze omhoog komt. Ze werpt een snelle blik op het etiket van een fles rosé en reikt die aan. ‘Wat wil de klant lezen? Dat moet je je afvragen.’
Flessen openen valt onder huishouden, bediening. Ik draai de dop los. ‘De klant,’ herhaal ik, ‘de klant zeg je…’
‘De lezer, de organisatie van de wedstrijd.’
‘Thomas Verbogt is enig jurylid.’ Ik vul haar glas, flink over de helft, als om iets goed te maken. ‘Een schrijver,’ licht ik toe.
Ze neemt een slok en smakt. ‘Beter deze,’ zegt ze. ‘Vreselijk lijkt me dat, al die inzendingen doornemen. Ken je hem, zijn boeken?’
Ik schud nee.
‘Je zou iets van hem moeten lezen. Ken uw klant.’
Onze borden zijn leeg. Ik sta op om af te ruimen.
‘Maak morgen iets met die witte wijn,’ zegt ze.
Voordat ik de vaatwasser inruim schrijf ik het vervolg. Nu zitten de woorden – haar woorden – nog in mijn hoofd. Mijn verhaaltje heeft de werktitel hommeles. Ik ben ongeveer op de helft.
In bed lees ik voor.
‘Je kunt het beter tafelgesprekken noemen,’ zegt Sylvia, ‘maar zo win je nooit. Je moet die Verburg naar de mond schrijven, een beetje subtiel. De klant is koning.’
‘Verbogt. Ken uw koning.’
‘Je zet me wel neer als een bitch. En dat culinaire gepraat… Is hij zo’n bourgondiër?’
‘Iedereen houdt van lekker eten lijkt me. ’
‘Hoezo Hommeles trouwens?’
‘Dat komt nog.’
De volgende morgen, als Sylvia is vertrokken en de ontbijtboel in de afwasmachine staat, wandel ik naar boekhandel Vechter & Van Dekt. De afdeling literatuur heeft niets van Verbogt, maar in de hoek met tweedehands vind ik een titel: Perfecte stilte. Tweedehands wordt verkocht onder het motto niet in druk, wel leverbaar, wat de beduimelde exemplaren een aureool van kostbaarheid geeft, van antiquarische kwaliteit. De prijs is navenant. Marketing, vermoed ik. Het kan net van mijn zakgeld, van mijn vergoeding voor persoonlijke uitgaven.
Thuis ga ik lezen. Als ik het boekje uit heb begin ik aan een risotto met kaas en witte wijn.
Kusje.
‘Toch niet van het huishoudgeld?’ vraag Sylvia als ze Perfecte stilte ziet liggen.
‘Nee, van mijn eh… vergoeding…’
‘En? Wat wijzer geworden?’
‘Hij laat schokkende dingen gebeuren, een kind dat zelfmoord pleegt.’
‘Gezellig, schrijvers.’
Ik roer in de langzaam zwellende rijst. Sylvia kleedt zich om.
We gaan aan tafel.
‘Aan welke schokkende gebeurtenis dacht jij?’ vraagt ze.
‘Aan de onderdrukking,’ zeg ik nadenkend.
‘Onderdrukking?’ Ze blaast in haar risotto.
‘Door jou. Mijn slavenarbeid.’
Gestoken kijkt ze op.
‘Grapje. Er kan wat humor in dacht ik.’
Ze wijst naar mijn borstzak: ‘Ik wil niet dat je me zo neerzet. Jij doet niets anders dan wat alle huisvrouwen vroeger deden. En nog steeds doen.’
‘Grapje zeg ik toch?’
‘Als je mij neerzet als slavendrijver, is daar het gat van de deur.’ Haar priemende vinger zwaait richting hal. ‘Dan kun je Hommeles veranderen in Homeless.’
‘Dan is daar de vaatwasser,’ zeg ik op dezelfde gedecideerde toon, en priem richting keuken.
Ze dept haar lippen. Zwijgend eten we verder.
We kennen steeds vaker ongemakkelijke momenten. De impasse in onze relatie wijdt ze aan mijn maatschappelijk falen, een doorwerking daarvan. Volgens mijn therapeut – onze therapeut – stuur ik er zelf op aan. Vandaar die eigen glazen. Ik ben het er niet mee eens. Het is geen eigen glazen ingooien wat ik doe, maar gewoonweg gooien. Ik zie dan wel wat er kapot gaat. In de verrassing vind ik mijn voldoening. Het kan evengoed toevallig raak zijn, dat straks mijn verhaaltje een succes is, en in het kielzog daarvan mijn roman. De deal met Sylvia kan dan in de prullenbak, in haar blinkende pedaalemmer.
Tot mijn schrik bedenk ik dat het dweildag is.
‘Uw dienaar groet u,’ zeg ik als ik even later op mijn knieën langs haar kruip.
Ze schudt misprijzend haar hoofd. ‘Je gooit je eigen glazen in.’
‘s Avonds schrijf ik het slot. Ik lees het niet voor. Ze ziet het wel als het online staat. Het schiet me te binnen dat ik haar nog een gefingeerde voornaam moet geven, maar dan heb ik al op opslaan gedrukt.
Het wordt hommeles.