Categorieën
Fictie

Pensioen

Ik heb het me toch anders voorgesteld.
Hoewel die gedachte zich vormt in mijn hoofd, kan ik het niet voorbij de brok in mijn keel krijgen. Daar zijn verschillende redenen voor.
Die brok is een prop slagroomtaart die me opgedrongen wordt om te vieren dat ik met pensioen ga.
Daarnaast word ik keer op keer onderbroken.
Als ik bij mezelf te rade ga, bedenk ik me in de discussie in mijn eigen hoofd, weet ik ook niet hoe ik het dan wel voorgesteld had, en wat ik dan zou willen.

‘Willem, je gaat toch geen les voorbereiden als we hier met een taart voor je staan, ouwe rakker.’
Dat is het eerste wat ik hoor bij betreden van de docentenruimte, doorgaans een plek van sobere rust met alleen hier en daar wat gesprekjes en af en toe gelach.
‘Je moet altijd goed voorbereid je les starten, Jan. Heb ik je dat nog niet geleerd?’
‘Dat heb je tóch niet nodig na die veertig jaar aan ervaring.’
Toch voelt het nog steeds als noodzakelijk. Met weke knieën voel ik zelfs weer nervositeit opzetten.
‘Nu ga je genieten,’ draagt Jan me op.
Dat lukt me niet.
Het is meer alsof een glazen wand op me drukt. Met als bevroren, verdoofde vingers krijg ik een stuk taart in mijn handen geduwd. Het is alsof een betonnen muur me naar de feestelijkheden duwt, al weet ik ook dat het gewoon de duwende handen van Jan zijn.
De hierop volgende aanslag op mijn lichaam in de vorm van felicitaties voel ik dan weer ongefilterd.
Jan knijpt mijn hand fijn en schudt mijn schouder uit de kom. Hij knipoogt naar me.
Anne en Lies plaatsen omstebeurt hun handen voorzichtig op mijn schouders en leunen voorover om hun wang tegen de mijne aan te duwen. Met die omhelzing lijken ze frêle. Ondanks hun jonge leeftijd – nauwelijks afgestudeerd en nauwelijks meer volgroeid dan de leerlingen in de bovenbouw – doen ze me altijd denken aan mijn grootmoeder en haar zus, toen ik zelf nog klein was. Misschien is het door hun zelf-gehaakte truien, om de schouders geslagen.
Betty, daarentegen, elke dag een andere kleur lipstift passend bij haar dikke laag make-up, en elk jaar weer een jaar jonger, is maar tien jaar jonger dan ik ben. Haar lange nagels prikken in mijn vel. Ze drukt haar natte lippen met een smakkend geluid op mijn wang, nog geen centimeter van mijn mondhoek verwijderd. Gelukkig heb ik me uit schrik niet weggedraaid.
Hendrik-Bart Crammers, van de directie, loopt binnen, door de rest heen en direct op mij af en omsluit mijn hand met twee klamme handen. ‘Het spijt me dat jij nu ook moet gaan,’ zegt hij. ‘Arbo, he.’ Hij haalt zijn schouders op, alvorens hij weg glibbert met twee stukjes taart op een bordje.
Mij lukt het niet me terug naar mijn papieren te manoeuvreren.
‘Blij dat je eindelijk met pensioen mag?’ vraagt Jan, zonder me aan te kijken.
‘Ik ga zó blij zijn,’ zegt Anne.
‘Wat doe je dan met al die vrije tijd, joh?’ vraagt Lies, aan Anne.
‘Wie verveelt zichzelf nou als hij alleen maar vrije tijd heeft,’ onderbreekt Jan. ‘We zijn geen pubers meer.’
‘Nou, ik zou het wel weten,’ vult Sjaak aan. Hij eet taart zonder aan de felicitatieverplichting te voldoen.
‘Op reis.’
‘Golfen.’
‘Simpelweg rentenieren.’
‘Met welk geld van ons schamele loontje dan?’
‘Ach, Willem heeft lang genoeg gewerkt om een zakcentje eraan over te houden. Hij mag het er toch wel van nemen.’
De cirkel van mensen heeft zichzelf gesloten, met mij erbuiten.
Zodra ik een stap naar mijn lesvoorbereiding zet, wordt dat echter opgemerkt door Jan. ‘Je mag wel mijn proefwerken nakijken, als je je echt verveelt straks.’
Dus sta ik er maar bij. Met stramme schouder en week kartonnen bordje ben ik ook druk bezig om de harde cake op mijn vork te prikken.
De bel voor aanvang van de les is mijn redding.

Anders dan gebruikelijk staan de leerlingen al te wachten voor het klaslokaal.
Ik voel me klein als ik door ze heen loop. Zijn mijn ruggenwervels al zo verdroogd dat ik gekrompen ben?
Even zie ik niks dan hen, geen klaslokaal en geen school, geen andere docenten.
Mijn pols rammelt en de sleutel steekt tweemaal naast het slot, alvorens in de deur open.

Met knikkende knietjes open ik mijn klaslokaal. Het gevoel is mijn voeten ontvlucht waardoor ik het idee heb elk moment door mijn enkels te kunnen zakken.
Enerzijds is dit gewoon een les. Dat houd ik mezelf voor.
Anderzijds is dit wellicht het laatste dat ik de leerlingen ooit mee mag geven.
De leerlingen schieten langs me heen, richting hun tafeltjes, en sommigen juist niet.
Dat ik ze nu hun gang moet laten gaan, weet ik gelukkig nog. Misschien heeft mijn instinct om les te geven me nog niet losgelaten.

‘U heeft lippenstift op uw wang!’ zegt Tim.
Zijn buren, Tom en Sjors, lachen.
De meiden achter hem, Leonie en Roos, rollen opzichtig met hun ogen. Hun buurvrouw Chantal slaakt een zuchtje.
Al die leerlingen brengen hun eigen persoonlijkheden mee. Met al die persoonlijkheden vindt in elke tel verschrikkelijk veel plaats, een ongrijpbare hoeveelheid gebeurtenissen, sociale interactie en emotie.
‘Mijn collega, jullie docente Duits, heeft me gefeliciteerd. Jullie lijken zo blij met mijn spoedige afwezigheid dat ik haar wellicht vertel dat ze jullie ook zou moeten feliciteren.’
‘Nee,’ roepen Sjord en Tom, die allebei direct hun stoel in vallen. Tim verstart.
De dames lachen.
Vijf leerlingen slaan hun boek open.
‘Heeft u onze cijfers al?’ vraagt Wout, de commotie negerend.
‘Wat gaat u eigenlijk met de vakantie doen?’ vraagt Eline, die Wout weer negeert.
‘Ik kom niet toe aan vakantie als ik niet eerst aan mijn les toekom – en jullie dus ook niet.’
‘Nee!’ slaan nu ook Bas en Philip uit.
Rosalie, vooraan, draait zich om en maant ze al sussend tot stilte.
Ik voel opnieuw een lichte tred in mijn voeten.
Zo vliegt de les voorbij.

Als docent ontgaat me doorgaans vrij weinig van wat in de les gebeurt.
Daar zijn de leerlingen van overtuigd. Dat leer ik elke klas al vroeg aan. Een paar tellen niks zeggen over briefjes die heen en weer gaan, bijvoorbeeld, om dat gedrag vervolgens, wanneer ik naar het bord kijk, te benoemen en ze ermee te berispen, is daarvoor heel succesvol.
Ik zou zo blind als een schele mol moeten zijn om niet op te merken welk circus zich voor mijn klaslokaal opbouwt.
Vanzelfsprekend begint het met Jan, serpentineslingers om zijn hoofd en fles champagne in zijn hand. Betty komt erbij met twee flessen rode wijn. Ook schuifelt Ben naar ze toe, mijn oude mentor.
Aan de rumoerigheid in de klas merk ik dat de leerlingen het ook opgemerkt hebben. Hen ontgaat niks, wat externe afleiding betreft.
Het weerklinken van de laatste bel van de dag wordt geaccentueerd door het ploffen van die fles en een tik tegen mijn lokaaldeur.
De wervelwind van vertrekkende, joelende scholieren raast langs me heen.

Een eeuwigheid later open ik mijn ogen.
Mijn rug voelt vermangeld, gebroken.
Ik heb nooit gedacht dat huilen zo’n sterk effect op het lichaam zou kunnen hebben. Mijn wangen, doorweekt met zoute tranen en onttrokken van vocht, voelen rauwer dan wanneer ik een week lang droog zou scheren. De kraag van mijn trui en de mouw waarmee ik tranen droogdep, zijn klam, en doorweekt, koud.
Zo sta ik er maar.
Mijn volledige gewicht leunt op mijn enkels die ik ineens weer merk te hebben. Een zenuwpijn schiet erdoorheen.

Wanneer ik bij zinnen kom, is het alweer leeg op de gang en donker in mijn lokaal. Er ligt confetti op de vloer, en poeltjes drank.
Toch ben ik niet alleen.
Voor me staat Marieke van Damme, dochter van Denise Dorrestein. Ze delen een gezicht met sproetjes en een fronsrimpel.
Bij het opmerken van haar bezorgde blik, strijk ik mijn gezicht glad en plooi een glimlach in mijn gelaat. Mijn wangen schuren als zandpapier. Het doet pijn mijn dichtgeklemde kaken te openen, al kan dat wellicht komen door het eten van die taaie taart. Ik krijg opnieuw niks voorbij mijn keel.
‘Gaat het weer een beetje, meneer van Kooten?’ vraagt ze me.
Ik knik.
‘Zeg maar Willem.’
Ze heeft een arm om de ander geslagen en wiebelt van de ene voet naar de ander.
‘Wat kan ik nog voor je doen, Marieke?’
Ik hoop zonder hoop dat ik haar nog iets uit mag leggen over de stof. Net als haar moeder heeft ze vijf jaar vooraan in mijn klas gezeten. Marieke schrijft links. Denise legde haar schrift altijd schuin. Allebei hebben ze de neiging gehad buurmeisjes uit te leggen wat ik niet duidelijk uitgelegd kreeg.
Mijn hulp heeft Marieke niet nodig, allang niet meer gehad.
‘Nee hoor,’ zegt ze dan ook.
‘Ik heb hier iets voor u. Mijn moeder vroeg me of ik dit aan u kon geven.’
Ze drukt een envelop in mijn handen en loopt weg.