Categorieën
Fictie

Parallellepipedum

Parallellepipedum

Een doos verpakt in een doos verpakt in een doos. Plastieken vellen – geen fucking bubbelplastiek – rond het voorwerp in de doos in de doos in de doos. Dat is hoe het gaat tegenwoordig. Op dinsdagochtend halen de gemeentelijke afvaldiensten het papier en karton op. Maandagavond zal met andere woorden ook deze week het moment zijn dat onze huishoudkunst vervelt tot een soort primair containerparkbeheer. Shirley zegt dat ze deze ochtend bericht gekregen heeft van de post dat het pakketje vandaag zou geleverd zou worden. Ik kijk behoedzaam naar de bruine tape, die de buitenste laag van het pantser nodeloos bijkomend dicht kleeft.

‘Heb je de hoogste fooi gegeven aan de koerier?’, vraag ik.

’20 procent, zoals afgesproken.’

‘Je weet toch wat 20 procent in dit geval betekent?’

‘Ja, maar hun werkomstandigheden zijn ook écht slecht.’

Het ‘pakketje’ is eigenlijk een pakket, besef ik, wanneer ik merk dat het me op borsthoogte treft. Shirl bestelt wel vaker grotere goederen, maar zo’n creatuur heb ik nog nooit gezien. De vorm is ook behoorlijk irregulier; een soort parallellepipedum die elk moment op inklappen lijkt te staan. Ik buk me om onder het hangende deel van de verpakking een indicatie van de inhoud te vinden. Shirl kijkt bedenkelijk naar mijn ondermaatse buktechniek.

‘Door je benen gaan, hoe vaak moet ik dat nog zeggen?’

Ik grom even en ga ostentatief heel diep door de knieën.

‘Zeg me liever wat je hier in huis hebt gehaald. Ik zie geen leverancier of ticket?’

‘Een verrassing. Iets wat jij en ik al erg lang wilden!’

Haar enthousiasme neemt mijn groeiende ongemak – al kan dat ook aan mijn pijnlijke kniegewrichten liggen – niet weg. Shirl wil veel zaken, maar de afmetingen en de vorm van de doos verraden meestal deels de inhoud. Nu niet. Ik sleep mijn zwarte jeans over de ijskoude tegels in de gang en ga in kleermakerszit zitten, in een iets meer ergonomisch verantwoorde houding. Ik pulk aan de tape, maar die zit erg goed vast, waardoor ik eerder het vel onder mijn nagels zou verliezen dan de doos effectief te openen. Shirl brengt de schaar aan.

‘Laat mij dit maar even doen. Zo duurt het uren, vrees ik,’ zegt ze met een schalkse lach.

Licht geërgerd schuif ik me uit de voeten, zodat Shirl de volledige vrijheid krijgt voor haar poging. Twee halen met de botte schaar later opent ze met enige zwier de bovenflap van de doos.

‘Voilà! Een schaar kan toch handig zijn, he?’

Eerder dan me druk te maken om deze ongebluste technische superioriteit, kijk ik peilend door de flap naar binnen. Na mezelf in een onmogelijk hoek over de doos te buigen, ontwaar ik half vallend blonde krullen.

‘Wat, euhm, heb je een pop gekocht?’

‘Nee nee, kijk nog maar eens goed schattie!’

Een bevel herken ik in elke situatie, en dus ook nu. Ik zet een broodnodige stap in de richting van het gevaarte en kijk met stijgende verbazing dieper in de doos. Ik hoor een flauw gebrabbel.

‘Shirl, ik weet niet wat dit is, maar please do enlighten me…’

‘Ik heb toch altijd gezegd dat ik een dochter wilde? En langs natuurlijke weg hebben we voldoende geprobeerd, denk ik,’ knipoogt ze.

Ik weet absoluut niet wat ik hierop kan zeggen. Het klopt dat we meermaals probeerden, maar ik kan me niet van de indruk ontdoen dat er een schakel in de besluitvorming ontbreekt.

‘Dit lijkt me een beslissing die je met twee neemt.’

‘Jij wilde toch ook een dochter? Dat heb je vaak genoeg vermeld.’

De zon die plots fel door het raampje boven de deur opzet, verblindt me, en terwijl ik met mijn hand de stralen tracht af te weren, zie ik een lijkwit, papperig handje uit de doos grijpen.

‘Kijk eens aan,’ zegt Shirl, ‘ze wil eruit. Zo schattig.’

Shirl neemt het kind onder de oksels en sleurt het met enige moeite uit de doos, die met een korte plof in mekaar stuikt. Het plastieken vel dat rond de romp van het kind gewikkeld zit, snijdt ze met de scherpste kant van de schaar door. Eenmaal bevrijd van de nodige etiketjes lijkt het meisje niet goed te beseffen wat haar precies overkomt. Ze kijkt eerst naar mijn felblauwe riem, dan naar mijn opgewolde paarse trui, en lijkt meteen een weliswaar terecht stilistisch oordeel te vellen.

‘Is ze niet adorable? Ik zal een fotootje nemen voor in de ‘Wij van Leuven’-groep!’

Ik vind ze best schattig, moet ik toegeven, maar een vaderlijk instinct heeft me deze eerste seconden nog niet gegrepen. Mijn onhandige omgang met kinderen is al vaak het voorwerp van de nodige spot geweest op familieaangelegenheden, en ik besef dat die spot niet geheel zonder basis is. Wat ik wel instinctief doe, is het grijpen van het afgescheurde etiket. ‘1.500 euro excl. BTW’ lijkt het schreeuwerig te titelen. Dat is dus 1.500 plus BTW aan 21 procent plus 20 procent fooi aan de koerier, overloop ik voor mezelf.

‘Voor een kind is dat geen absurde prijszetting. Toch?’

‘Wat kijk je nu zo naar dat etiketje? Je weet toch dat we de kosten evenredig zullen delen. Zit daar niet zo mee in, alsjeblieft. Daarbij wil je toch al lang een kind?’

‘Ja ja, dat is wel zo.’

Shirl veegt een zachtjes glijdende vermoeidheidstraan weg van het gladde voorhoofd van het meisje. Onze nieuwbakken dochter kirt kort van de deugd. Ze moet wel vermoeid zijn, na zulke trip doorheen distributiecentra en ijskoude vrachtwagencabines. Ik sta een beetje onbehouwen met de handen in de zij. Ik had me het vader worden geheel anders voorgesteld, en toch is onverschilligheid mij kennende geen onverwachte respons.

‘Je kijkt zo vreemd. Wees eens gewoon enthousiast, zoals normále mensen zouden zijn…’ sneert Shirl nog behoorlijk lieflijk over haar schouder, terwijl ze het kind haar eerste woorden kindertaal voedt.

‘Ik weet het, ik weet het.’

En ik weet ook echt dat ze gelijk heeft. Waarom zou ik nu plots het proces boven het resultaat plaatsen? Waarom zou ik Shirl verwijten een jarenlang geuite wens tot realiteit te maken? Ik zet een stap vooruit met een voorbedachte, maar gemeende lach en raak met het topje van mijn wijsvinger voorzichtig de engelenbrug van het meisje, dat me verbaasd recht in de ogen kijkt.