Categorieën
Fictie

Paletmes

Met zijn expositie “Delitti di mafia” in Taormina had Juan Mario Miano zich niet bepaald geliefd gemaakt op Sicilië. Een levende herinnering maken aan de slachtoffers was het doel van zijn levenswerk geweest. Hoewel je de geboren Argentijn, een buitenstaander, eenvoudig kon negeren, was het de trots van de maffia te na om Juan niet het leven zuur te maken. Het begon met pesterijtjes door de jeugd, zoals banden lek steken, sleutelgaten met stopverf dichtsmeren of een ruitje ingooien, maar ontaardde al snel in fysiek geweld door volwassenen. Niet levensbedreigend. Siciliaanse messentrekkers zullen je niet vermoorden, maar je liever met een diepe snee in je gezicht tekenen voor het leven.
De Grotta Azzurra ligt op vijftien minuten zwemmen van het strand van Mazzarò nabij Taormina. Schuin tegenover Isola Bella gelegen dankt de zeegrot zijn naam aan de prachtige zonlichtreflecties, die het water in de grot azuurblauw doen oplichten. Door karstverwering is de oorspronkelijke kalksteen opgelost en heeft een metershoge en brede ruimte achtergelaten. In juli en augustus is de baai van Mazzarò druk bezet met toeristen, die met bootjes de grot bezoeken.
Als schilder waren Juan’s ogen en handen van levensbelang. Om in zijn minimale levensbehoeften te kunnen voorzien schilderde hij op de Piazza IX Aprile de omgeving en gebouwen met zijn scherpe paletmessen. Favoriet waren de Salita Castello aan de westkant van het plein, de Chiesa Taormina aan de noordzijde, Isola Bella en de Etna al dan niet besneeuwd. Te koop voor een klein bedrag. De dreiging zijn scherpe zicht of fijngevoelige handen te verliezen, was verschrikkelijk voor Juan.
Een zeer nauwe spelonk achterin in de Grotto Azzurra vormt de verbinding naar een grote ruimte, onzichtbaar voor de toeristen in hun bootjes. Tijdens een vakantie als kind had Juan al zwemmend de spelonk en aangrenzende zaal ontdekt. In de zomermaanden kwam hij er niet, omdat de grot en aangrenzende ruimtes dan met lawaai en benzinedampen van de bootjes gevuld waren. Maar buiten het seizoen kwam hij er des te meer. In de donkerte van de wintermaanden had Juan ’s avonds een voorraad water en voedsel aangelegd in de zaal, met het idee zo het steeds weer oplaaiende geweld te kunnen ontlopen.
Maar het knaagde. De schilderijtjes, die in de zaal ontstonden waren toonbeelden van grauwe droevigheid, door het gebrek aan daglicht en zijn bedompte gemoedstoestand. Juan moest in de levende bovenwereld schilderen om alle zonnige Siciliaanse kleuren op te nemen: bougainvillea, oleander en eucalyptus moesten van het doek afspatten, te ruiken zijn, anders dan het grijszwarte palet van de morbide onderwereld. Liever de confrontatie dan schijnveiligheid.
Het was al donker toen Juan zijn ezel, palet, doeken, olieverf en paletmessen opborg in het zijgebouwtje van de Chiesa Taormina. Zijn opslag, gedoogd door de zorgzame koster. Achter hem hoorde hij fluisterende mannenstemmen nader bij komen en lemmeten van springmessen, die knallend uit de handvatten schoten. Als in een werkelijkheid waar Juan geen onderdeel van was, kwamen de slachtoffers uit “Delitti di mafia” tot leven om zich te revancheren op de maffia. Paletmessen tegen stiletto’s, Juan had zich vrij geschilderd.