Categorieën
Fictie

P.O.P.

In het begin was het Spel
en het Spel groeide uit Ernst
en het Spel was Ernst.
– Jef Clement

‘Ik zweer het, je gaat helemaal stuk!’
Anna had er nu al geen zin in, in die gruwelspelletjes van Katja. Ze wist nog goed de vorige keer toen Katja haar een bord vol spinnen en opgeraapte vliegen had laten eten. Gewoon, om een betere heks te zijn. Desondanks holt ze achter haar vriendin aan. Deze loopt met Bea statig door de gang. Gekruld haar golft over de harde schouders van het popje. Katja weet dat Anna volgt, zij is de baas van de twee. Zo liggen de verhoudingen.
‘Sst, hier houdt ze zich schuil.’ Katja wijst plechtig naar de kast.
De kast, een koloniaal pronkstuk met zware spiegeldeuren, was recent van zolder gehaald naar Katja’s kamer. Ze was inmiddels oud genoeg om het te waarderen, had haar moeder gezegd.
‘Nu afwachten maar, en sst, wel stil zijn.’ Katja glundert, haar rug een gespannen veer.
Anna kijkt naar de porseleinen pop met de glazige ogen. Als ze lang genoeg kijkt lijkt het net alsof de pop huilt.

In een hoek op zolder had ze gelegen, onder een kromgetrokken plank weggedoken; ze hadden het maar een stomme oude pop gevonden. Toch had Katja haar niet weg willen doen. Bea, zo hadden ze de pop genoemd, kreeg een plek tussen Katja’s knuffels op bed. Eigenlijk was ze te oud voor knuffels, vond Katja, en ze had alvast een vuilniszak onder bed klaargelegd. Op een dag zou ze zover zijn: dan zou ze alles in één keer wegdoen.
Volwassen zijn. (Met nét geschoren benen tussen de lakens glijden, verliefde jongen naast je, of misschien wel een man, behaard uiteraard, en geen knuffels, maar seks, niet alleen eraan denken, het ook doen, overal. Dan was je volwassen.)

‘Voel je dat?’
Anna weet niet goed wat ze moet voelen. Katja slaat rillend de armen om het lijf.
‘Ze. Is. Uit. De. Kast,’ griezelt ze. ‘Voel je het niet?’
Anna heeft het ineens koud.
‘Logisch,’ redeneert Katja, met wijsvinger in de lucht, ‘héél logisch’.
‘Hoezo, logisch?’
‘De doden zijn toch altijd koud, suffie’
Anna gelooft niet in spoken, en al helemaal niet in het Jodenmeisje in de kast van Katja.
‘Wacht, ik hóór haar: P.O.P – Pop. Ze wil haar pop.’ Katja drukt Bea tegen zich aan.
Katja’s huis had een museum kunnen zijn met zoveel onderduikers die op zolder, in de kast en achter de muren verstopt hadden gezeten; levens die nooit vergeten mochten worden. Anna gluurt naar haar vriendin. Die rolt, strekt en bibbert door de kamer. Het is een hele act.
Kou trekt opnieuw langs haar benen.
Spoken zitten alleen in je hoofd, beweert oma. Desalniettemin hijst Anna haar sokken op, en pulkt wat aan het korstje op haar knie. Haartjes gaan langzaam overeind.
Katja wijst ernaar. ‘Dat. Doet. Johanna.’
Ze voegt er fluisterend aan toe: ‘Zo heet ze’.
‘Wie?’ Het korstje laat los.
‘Jo-han-na!’ snuift Katja.
Anna kijkt haar schaapachtig aan: ‘Johanna?’
‘Dat Joodse meisje suffie.’ Katja gaat op een krukje staan, en declameert luid: ‘Johanna Rebekkah Wolff!’.
Bloed glijdt langs Anna’s been.
Bea ligt op bed, de glazige ogen zijn dichtgevallen. ‘Vanavond slaap jij bij haar.’
Het is geen vraag.
‘Je mag in mijn bed.’ Katja kijkt erbij alsof ze een vriendendienst levert.
Nooit heeft Anna liever in haar eigen bed willen slapen. Ze zou in opstand willen komen, ruzie willen maken, weigeren. Wijdbeens staat Katja voor de kast. ‘Weet je wat mijn vader zei?’
Anna schudt haar hoofd.
Zonder haar handen erop te leggen, zet Anna haar oren dicht, terwijl ze doet alsof ze luistert. Te laat, Katja zet alle verschrikkingen in haar hoofd. Eén voor één, feit na feit.
‘Om 14:12 precies, op 13 januari 1945, is Johanna hier gevonden, in deze kast, een klein meisje, zeven jaar nog maar, met Bea tegen zich aangedrukt.’
Teveel getallen, beelden. Anna knikt.
‘Kun je je dat voorstellen?’
Anna wil zich niets voorstellen.
Katja gaat onverstoorbaar verder. ‘Onderin deze kast, klop maar op het hout, zit een dubbele bodem. Snap je: Johanna. Is. Géén. Spook.’ Ze kijkt of haar woorden doel treffen.
Dan pakt ze Anna’s handen, legt ze op het hout dat vreemd bol staat. Anna huivert. Er komt een rare geur uit de kast.
‘Ze is écht, ze bestáát!’
Katja springt op haar bed van satanisch plezier. Bea tuimelt uit bed. Met één oog staart het popje Anna verwijtend aan, het andere valt dicht.
Naar huis, Anna wil naar huis.
‘Maar waar waren haar ouders dan, de ouders van Johanna?’, stamelt ze.
Wederom grijpt Katja haar handen en laat haar op de rand van het bed zitten, vlakbij het porseleinen hoofd. Hoe kan dat poppenoog haar zo aankijken?
Katja streelt haar vingers.
‘Snap je het dan niet, suffie. De Duitsers hebben haar ouders meegenomen.’

‘Mitkommen!’ Katja rukt de spiegeldeur open.
Anna wil niet schrikken.
‘Luister, Johanna hier heeft het als enige overleefd. En ik denk, ik denk…’
Katja helt naar haar vriendin over. Anna ziet de pupillen wijd worden. Ze zuigen haar in.
‘Ik denk dat ze nog steeds bang is,’ vervolgt ze. ‘Of boos.’
‘Wie? Het Joodse meisje?’
‘Wie anders! Duitsers vergeten niemand.’ Katja prikt in haar buik. ‘En ze heet Jo-han-na.’

Aan tafel wordt er bij Katja eerst gebeden. Bij Anna thuis wordt er nooit gebeden, en Anna maakt van haar ogen spleetjes, tuurt stiekem de tafel rond. Katja heeft Bea een stoel gegeven. De porseleinen pop zit nu tegenover haar en staart haar met beide ogen aan. Ze hadden het dichtgevallen oog los moeten peuteren, daarna vastgelijmd. Moeder opent het gesprek. ‘Wat fijn dat je weer eens blijft slapen.’
Anna knikt. Ze vond het altijd spannend, maar ook een feest om bij Katja te logeren.
Deze is met haar boontjes op haar bord bezig, legt zorgvuldig een boon voor Bea neer.
‘Katja heeft de laatste tijd veel nachtmerries, hè lieverd..’
Moeder kucht even in haar oksel.
‘En dan…’ Sussend legt vader een hand op haar arm.
‘Straks maak je onze gast nog bang’, knipoogt hij naar Anna. Dan werpt hij een strenge blik naar zijn dochter, en lacht: ‘Die boon is wel voor jou, hè.’

Anna heeft de pop zo ver mogelijk van haar afgelegd, achter de bolling van haar kussen. Het is al erg genoeg dat Bea naast haar moet liggen. En dat haar vriendin in een andere kamer slaapt.
Tóch moest het vannacht gebeuren: volwassen worden.
Laten zien dat je niet bang bent. En waarom zou ze bang zijn? Ze zou het Katja bewijzen. Dat (als het moest) ze spoken onder het bed vandaan zou trekken, ze best alleen kon slapen, ze moedig zou zijn voor twee: ze bereid was voor haar beste vriendin te sterven.
Dat ze in ieder geval de ochtend zou halen.

De spiegeldeur staat op een kier. In het donker lijkt het net alsof er in die kleine opening, dat zwarte gat, iets schuil kan gaan.
Een meisje bijvoorbeeld.
Of een losse arm. Die kan uitrekken, Bea terug opeist.
‘Johanna?’
Ze heeft het hardop uitgesproken.
Onmiddellijk vult het Joodse meisje de kamer. Anna trekt de dekens hoog op tot onder haar neus. Hoe bang moet Johanna wel niet geweest zijn toen de Duitsers binnenkwamen? Hoe dapper ben je als je vanuit een kast alle gruwelen meemaakt? Als ze zomaar je ouders meenemen? Anna denkt aan haar eigen ouders, en de tranen springen in haar ogen. Hoe stil moet je in een kast zitten om niet gehoord te worden?
En was haar moeder niet kwart-Duits? Wat als Johanna dat weet, en dat ze schuld heeft?
Misschien is ze wel schuldig?
De kier lijkt groter dan daarnet. Een streng poppenhaar ligt op haar kussen. Dat was eerst toch niet? Van schrik duwt ze de pop een stukje verder. Het porselein voelt koud, akelig – ze duwt harder.
Krak!
Het hoofdje van Bea raakt de houten rand van het bed; het is maar een tik. In het bleke gezicht valt een gat, een wang breekt af, de mond trekt scheef. Anna checkt Bea’s koude lippen. Harde lippen, die tegen haar spreken: ‘Jij. Bent. Schuldig.’

Het moet, ze moet volhouden. Anna huilt zachtjes, maar ze wil niet Katja’s ouders roepen. Of Katja zelf. Er is niets om bang voor te zijn.
Niets.
Ze blijft het in haar hoofd herhalen.
‘Mitkommen!’ De stem van Katja komt erdoorheen, wordt zwaarder, mannelijker, machtiger. In het aardedonker op haar neus, onder de dekens, bij haar botten, in haar hart: overal zit kou.
Anna verstijft.
Ze weet het nu zeker: ze heeft schuld. Johanna raakt haar al aan, versteend haar.

Ochtendlicht streelt het meisje in het grote bed. Katja rent de gang door, haar kamer binnen, om Anna haar droom te vertellen. Van enthousiasme struikelt ze over haar eigen voeten, haar gedachten. Ze ziet haar slapende vriendin. En haar waterval aan woorden stokt.

Blauw zijn Anna’s lippen, lijkbleek het gelaat, en gebroken porselein ligt op de grond. Bea is weg.
En er ligt een vreemde kou om Anna heen.