Categorieën
Fictie

Overzichtseffect

Als kind had Tom een vriendenboek; zo één met een geromantiseerde afbeelding van drie grazende pony’s in een weiland. Zo nu en dan kreeg ook hij zo’n boek in zijn handen gedrukt. Hij beschouwde dat als het grootst mogelijke offer; een permanente vorm van tijdelijke verbintenis. Na het eten bleef zijn moeder dan met hem aan de keukentafel zitten en stelde hem de vragen die hij vervolgens beantwoordde alsof hij deelnam aan een kruisverhoor op het politiebureau. Zij noteerde alles zorgvuldig voor hem. Vier regels kon ze altijd blindelings invullen:

Naam: Tom
Leeftijd: 6 (later werd dat 7)
Adres: Copernicuslaan 149
Later word ik: astronaut

Op die laatste regel had zij nooit iets aan te merken, geen kritische wedervraag. En waarom zou ze ook? Wie haar kind in dat stadium het geloof in een wereld aan zijn voeten al ontneemt, draagt de schuld voor faalangst en andere toekomstige, emotionele ongemakken voor altijd met zich mee. Vroeg of laat zou ook hij tot het besef komen dat de wereld aan de voeten ligt voor hen die het lukt met beide benen op de grond te blijven staan. En dat laatste had je nu eenmaal niet altijd zelf in de hand. Sommige vragen varieerden per vriendenboek. Zo vroeg zijn moeder hem op een avond: ‘hoe hebben wij elkaar ontmoet?’ Plots keek hij haar strak in de ogen. ‘Hoe bedoel je dat?’, vroeg hij verontwaardigd, alsof zij hem een strikvraag stelde. Toen zijn eigen boek volledig gevuld was, had Tom zelf leren schrijven en begon alle gegevens van beste vriendjes, willekeurige klasgenoten en buurtkinderen met balpen over te schrijven. Hij groeide uit tot mensenkenner; ordende alle profielen eenmaal op leeftijd en vervolgens nog eens op alfabetische volgorde van achternaam. Zijn moeder heeft dit altijd een ietwat eigenaardige bezigheid van hem gevonden.

Op de middelbare school schoot Tom de lucht in. Zijn schouders zijn sinds die groeispurt altijd ietwat krom blijven staan, al zal een gebrek aan energie en motivatie in die periode daar ook de nodige bijdrage aan hebben geleverd. Het was niet dat hij niet kón leren, integendeel zelfs. De formules en taalregels die hem voorgeschoteld werden boden hem simpelweg de antwoorden op zijn vragen niet. De hoe, de wat en de waarom – vooral die waarom – lieten hem niet los. Ze overvielen hem zoals de slaap maar zelden deed en op een van die avonden klopte hij bij zijn broer aan. Bijna vijf jaar ouder was Gijs. Een stuk wijzer ook, of die indruk wekte hij althans. Tom klopte tweemaal. Eerst wat terughoudend, bang dat wat hem zijn rust onthield niet groot genoeg was om die van zijn broer te verstoren. De tweede keer daadkrachtiger.
‘Is er wat, broertje?’
‘Ik geloof dat ik verliefd ben.’
Steeds vaker was hij geneigd in iedere uitspraak ruimte voor toekomstige nuances over te laten. Waar was die kinderlijke standvastigheid gebleven? De zelfverzekerde toon waarmee hij iedereen wist te overtuigen: later word ik astronaut.
‘Ik geloof dat je vermoedens kloppen.’
Gijs trok hem aan zijn arm de kamer binnen en sloot de deur achter hen. Alsof hij zojuist het correcte wachtwoord had gegegeven en daarmee toestemming tot entree had gekregen.

Voor Tom was het idee van tijd altijd al ietwat vaag en abstract geweest. Met die tijd was nu ook het besef van de eindigheid ervan gegroeid. Het leven strekte zich voor hem uit, maar de duur ervan leek niet langer eindeloos. De opties om dat leven in te vullen waren dat plots wel. Tijd was geniepig. Iedere seconde die voorbij sjokte raasde onopgemerkt aan hem voorbij. Steeds vaker speelde dat gevoel op; de realisatie dat zijn tijd niet de tijd was. Er hing iets groters en ongrijpbaars boven zijn hoofd, iets wat hij voorheen wel in de hand leek te hebben. Iedere poging tot het aanbrengen van structuur deed hem nog verder vervreemden van het grote geheel. In het hier en nu leren leven bleek zonder heldere definitie van deze omstreden begrippen ook geen uitkomst meer te bieden.
Tom stond opnieuw bij zijn broer voor de deur. Een paar jaar later, voor de deur van zijn studio dit keer; een tamelijk kleine ruimte aan de rand van de stad. Hij klopte aan en de deur zwaaide open; ‘Hé broertje, wat een verrassing!’ Sinds Gijs uit huis was vertrokken leek hij de dingen op een rij te hebben, of in ieder geval op orde. Zoals andere mensen hun muziek- of boekenverzameling op kleur, genre of auteur gerangschikt hebben. Alsof een nieuwe omgeving een nieuw perspectief en de nodige rust bij hem teweeg had gebracht. Zijn deodorant rook vertrouwd en de melodieën die uit zijn pick-up klonken herkende hij uit duizenden. Ze herinnerden hem aan de eindeloze avonden die zij op Gijs zijn voormalige zolderkamer spendeerden. Er verandert ook eigenlijk geen reet. ‘Iedere dag is hetzelfde,’ stamelde Tom, ‘ik heb geen idee wat vandaag van gisteren onderscheid, maar de samenhang kan ik ook niet vinden.’ Gijs legde een hand op zijn broers schouder en trok hem naar hem toe, de drempel over. ‘Man, wat ben jij groot geworden.’

‘Ik benijd piloten en astronauten’, zei Tom. Op het gezicht van zijn broer verscheen een subtiele grijns. Kennelijk had hij zojuist een grappige opmerking gemaakt. ‘Ik benijd iedereen die afstand kan nemen van en raad weet met relatieve begrippen als tijd en ruimte.’ Gijs schonk hen beide nog wat koffie in. Gesprekken kwamen altijd beter op gang na het tweede kopje.
‘Tom, weet je nog wat jij vroeger altijd wilde worden?’
‘Hoe bedoel je?’, antwoordde hij, waarop de grijns op het gezicht van zijn broer nog groter werd.
‘Als kind was het je grote droom om astronaut te worden.’
‘Dat is dan mooi geen werkelijkheid geworden,’ zuchtte Tom. Hij zakte nog verder onderuit op zijn broers bank.
‘Ik geloof dat je meer van je jongere zelf kunt leren dan je denkt.’
Die middag was Tom de tijd uit het oog verloren. Zijn horloge en mobiele telefoon had hij geen blik gegund. Ergens midden in hun gesprek merkte hij enkel de langzaam opduikende schemer op. Hij leek een uitweg te hebben gevonden. De realisatie dat je door terug te blikken de nodige antwoorden kon vinden, strookte niet met zijn bestaande ideeën over het vergaren van kennis. Maar volgens Gijs deden astronauten niets anders: opstijgen, achterom kijken en overzien. Zo ver mogelijk van alles en iedereen vandaan om er de verbondenheid mee te kunnen ervaren. Gijs zei dat ze dat ook wel het overzichtseffect noemen en dat als je het zo bekijkt iedereen astronaut kan worden, of dat eigenlijk al lang is.