Categorieën
Fictie

Orka’s

Orka’s

‘Als ik jou niet had, dan wist ik het wel.’ Ze stoot haar man zo onopvallend mogelijk aan. Met een dromerige glimlach knikt ze in de richting van de dertiger die net het hotel uitkomt en zich voegt bij hun groepje wachtenden. Volkert, heeft ze hem genoemd toen ze hem vanmorgen bij het ontbijtbuffet voor het eerst had gespot. Hij heeft het goddelijke lichaam van de conciërge uit De Luizenmoeder. Maar déze Volkert heeft ook nog een wolk van charme om zich heen, door zijn innemende lach en het gemak waarmee hij contact maakt. Esther zucht van genot als hij zijn zonnebril omhoog schuift waardoor zijn donkere ogen tevoorschijn komen. Johan volgt even haar blik; dan concentreert hij zich weer op het begin van de boulevard, waarvandaan hij het busje verwacht dat zijn vrouw en de andere hotelgasten zal ophalen voor de excursie. Hij veegt het zweet van zijn hoofd; de hitte is nu al bijna ondraaglijk.
‘Pas maar op met dat soort types. Het zijn net orka’s.’ Hij blijft onverschillig in de verte staren, terwijl Esther hem vragend aankijkt. Is dit een grapje? Een dreigende waarschuwing?
‘Ze zien er schattig en aaibaar uit. Maar van dichtbij zijn ze levensgevaarlijk.’
Als een konijn in het schijnsel van koplampen is ze alweer gevangen door het gebruinde lijf even verderop.
‘Gisteravond zag ik hem in de bar. Hij flirtte met elke doos op twee benen. Gewoon waar zijn eigen vrouw bij was.’ Johan grijpt weer naar zijn zakdoek.
‘O, heeft hij een vrouw.’ Het lukt haar niet om haar teleurstelling te verstoppen. ‘De smeerlap,’ mompelt ze, terwijl de reusachtige zoomlens op Volkerts sixpack haar fantasie op hol brengt.

De airco van het busje is stuk, de temperatuur loopt onderweg op tot tropische waarden. Esther is blij met haar plekje achterin, waar ze ongezien haar rok kan opstropen tot de rand van fatsoenlijk. Volkert zit voorin en is druk in gesprek met de reisleidster, een grijs gekapte duif die voortdurend kirt. Rood aangelopen pakt ze bij aankomst in de haven de microfoon om haar excuses te maken: helemaal vergeten om tijdens de rit alle historische bezienswaardigheden langs dit stukje Spaanse kust te benoemen. De gasten reageren dankbaar.
Het knalgele bootje aan de kade belooft een Dolphin Adventure, volgens het spandoek dat zo ongeveer de hele reling in beslag neemt. Wanneer de bus is leeggestroomd, loopt het dek vol. Er is nauwelijks bewegingsruimte; het gezelschap staat dicht opeen gepakt. Als het schip de haven uitvaart, is de zeebries te zwak om de broeierige warmte tussen al die lijven te verjagen. Het wateroppervlak is een spiegel, maar eronder is de verraderlijke stroming en erboven trilt de lucht van hitte en verwachting.
Na een half uur varen wringt Esther zich uit haar positie op de voorplecht, waar ze langzamerhand wordt platgedrukt tegen de reling. De dolfijnen zijn vandaag blijkbaar ondergedoken. Ook Volkert heeft ze al die tijd niet meer gezien. Op het achterdek is het uitzicht net zo weinig spectaculair, maar je kunt je tenminste bewegen.
Met haar telefoon in de rechterhand en haar linkerhand zo achteloos mogelijk in haar wapperende haren, maakt ze een selfie om Johan te laten zien dat zijn angst voor hoge golven nergens op sloeg. Maar de boot schommelt te erg om het bewijs vast te leggen.
‘Zal ik jou even nemen?’ verstaat ze opeens. Volkert is vlak naast haar opgedoken. Hij tilt zijn camera in de lucht en herhaalt: ‘Zal ik hem even nemen?’ De fotoshoot is al begonnen voor ze zich herpakt heeft. ‘Leuk om naar je man te sturen. Kan hij zien hoe opwindend het hier is en wat voor moois hij allemaal mist.’ De camera klikt aan één stuk door. ‘Was hij ook bang om zeeziek te worden? Mijn zus heeft vanmorgen afgezegd omdat ze gehoord had dat er zwaar weer op komst was,’ grinnikt hij terwijl hij triomfantelijk naar de wolkeloze lucht wijst.
‘Je zús? Ik dacht…’
‘Dat wij een stel zijn? Dat denken veel mensen. Maar nee, wij zijn gewoon allebei single en vinden het leuk om samen op vakantie te gaan.’ Hij heeft zijn telefoon tevoorschijn gehaald en laat een foto zien van een koppel op een terras. ‘Zie je hoeveel we op elkaar lijken? Hoewel zij een stuk knapper is dan ik natuurlijk.’ Hij knipoogt.
Esther bestudeert de foto, maar kan in de gauwigheid niet zo snel de overeenkomsten ontdekken tussen de donkerharige Volkert en de vrouw met de lichte huid en haar weelderig golvende koperkleurige haardos.
‘Ik heb gisteravond in de bar een poos met je man zitten praten. Leuke kerel. Hij wilde eerst niet geloven dat Mir en ik broer en zus zijn.’
‘Mir?’
‘Jam. Mirjam. Draai je hoofd eens een beetje naar rechts als je wilt? Ja, mooi!’
‘Volgens mij gelooft Johan dat nog steeds niet. Vanmorgen zei hij nog… Oh, kijk, daar beweegt iets!’ Vlug loopt Esther naar de andere kant van het dek. Volkert volgt haar. Een plotselinge deining brengt ze allebei even uit hun evenwicht en ze grijpen zich aan elkaar vast. Zijn hoofd is vlak bij de hare als hij plagerig vraagt waarom Johan haar dat misschien zo graag wilde laten geloven. Esther maakt zich los uit zijn greep, maar één hand blijft vergeten achter op zijn arm. Met de andere wijst ze naar het blauw in de verte: ‘O nee, het was toch niks. Jammer.’
‘Ja, jammer, ik hoopte ook op een beetje spektakel.’

Het beloofde avontuur blijft beperkt tot een koppeltje bruinvissen en heel veel zeevogels, die volgens de schipper minstens zo bijzonder zijn als dolfijnen. Het lukt hem niet om zijn enthousiasme over te dragen. Alleen op het achterdek is er geen sprake van teleurstelling.

Als ze terugrijden is de hitte in de bus nog groter dan op de heenweg. Esther voelt hoe haar zweetdruppeltjes zich mengen met die van Volkert. Het is als in een sauna: veel te heet en toch aangenaam.
‘Overmorgen ga ik mee met de excursie naar Gibraltar. Dan heb je veel meer kans om dolfijnen te spotten. En orka’s. Orka’s zijn nog veel indrukwekkender.’ Volkerts ogen glimmen als hij dit zegt. ‘En het is een tweedaagse tocht. Dus mét overnachting.’ Knipoog.

‘Perfect,’ heeft Esther uit de grond van haar hart geantwoord op Johans vraag hoe het was.
‘Maar nu wil ik graag nog even een half uurtje rusten voor we aan het diner gaan.’ Ze loopt de trap op naar hun kamer terwijl Johan achterblijft in de lounge.
Esther gooit het dekbed van het lits-jumaux, laat zich voorover vallen op de matras en schuift het kussen onder haar hoofd. Als ze ook Johans kussen naar zich toe haalt, ziet ze aan zijn hoofdeinde twee lange haren tevoorschijn komen. De opvallende koperkleur doet pijn aan haar ogen.
Esther draait zich om, pakt haar telefoon van het nachtkastje en toetst het nummer van de reisleidster in.
‘Ik wil mij aanmelden voor de excursie naar Gibraltar. Ja, de tweedaagse. Mét overnachting.’