Categorieën
Fictie

Opklimmen

Normaal valt het licht via twee forse dakkapellen rijkelijk Brams appartement op de derde verdieping binnen maar op een dag zetten ze een steiger voor zijn huis en spannen er een net omheen dat zijn hele appartement in een grijze waas legt. Als het ‘s nachts waait, schuurt de stellage zich knerpend tegen het huis aan. Verder gebeurt er niks Na drie weken, op een maandag, schrikt Bram ‘s ochtends wakker van een harde klap. Hij gaat rechtop zitten, kijkt naar de ramen maar ziet daarachter alleen het grijze net. Er volgen nog een paar klappen, alsof iemand zware voorwerpen op een metalen plaat gooit. Dan hoort hij mannen tegen elkaar roepen. Hij stapt uit bed en zoekt naar zijn joggingbroek, een T-shirt. Terwijl hij richting de keuken loopt kijkt hij vlug door de ramen maar ziet niemand op de steiger. Als hij koffiebonen in de molen giet hoort hij buiten een indringend metalig getik. Hij drukt op de knop van de koffiemolen en hoort behalve het kleine geraas van de mesjes op de bonen niets meer.

Hij is wat laat en trekt snel zijn felgekleurde Nike Jordans aan. Terwijl hij de trap afrent probeert hij zijn schippersjas dicht te knopen. Zodra hij naar buiten stapt ziet hij ze. De schilders staan licht voorovergebogen hun verf tegen de kozijnen van nummer 72 hs te duwen. Ze kijken niet op. Bram trekt voorzichtig de deur dicht maar onderweg naar zijn fiets houdt hij even in en dan draaien ze hun hoofden toch. “Moguh mannen”, zegt Bram. Zijn toon is jovialer dan hij van zichzelf gewend is en dat stoort hem. Naima zou gezegd hebben dat hij niet zo spastisch moest doen, dat vreemde mensen hem niet opeten als hij gewoon zichzelf is. Met dat zalvende toontje van de therapeute die ze toen net was. Twee van de schilders mompelen, geconcentreerd op de kozijnen, iets terug. De derde draait zich om, zegt duidelijk articulerend goedemorgen en knikt. Hij is jonger dan de andere twee en lang, pezig. De neutrale begroeting stelt Bram een beetje teleur, al snapt hij niet goed waarom. “Zeg”, roept de lange jongen terwijl Bram zijn fiets uit het rek trekt. “Woon jij op de derde daaro?” en hij knikt omhoog. “Ja?’, zegt Bram en hij klinkt een beetje onnozel, niet wakker nog. “Zou jij morgenochtend je ramen open kunnen zetten voor ons?” Bram staart hem even aan. “Dan kunnen wij meteen beginnen snap je.” Onwillekeurig kijkt Bram naar de kozijnen van nummer 72 hs. Ze staan op een kier, glinsterend in de donkergroene verf. “Dus het gaat eindelijk beginnen?”, vraagt hij, een tikje sarcastisch in een poging zich te herpakken. “We komen naar je toe hoor, geen zorgen”, zegt een van de andere schilders en de collega naast hem stoot een kort hoesterig lachje uit.

Als Bram de volgende ochtend wakker wordt lijkt het nog nacht, maar dat kan ook het gaas zijn. De ramen, denkt hij, hij moet de ramen openen. Stijf stommelt hij uit bed. Hij doet een van de ramen open en kijkt naar beneden. Ze zijn er nog niet. In de badkamer draait hij tot zijn verbazing de deur op slot. Voorzichtig, als om het stiekem ongedaan te maken, draait hij de knop weer terug. Onder de douche zeept hij zich extra grondig in, alsof hij iets van zich af wil wassen. Daarna wrijft hij zich ruw droog, tot zijn huid gloeit. Als hij de kamer instapt ziet hij voor het raam een lang silhouet. Het is de schilder, de jongste. ‘Goedemorgen’, zegt hij zonder op te kijken en haalt geconcentreerd zijn kwast over het kozijn van de dakkapel. Goedemorgen’, zegt Bram en wacht op meer tekst van de ander maar die komt niet. Terwijl hij zich aankleedt denkt hij aan koffie maar het idee van het malen van zijn bonen komt hem opeens wat pretentieus voor. “Ik ga naar mijn werk”, zegt hij hardop. “Oké’, zegt de schilder. Bram loopt richting de deur. “Eind van de middag ben ik wel weer terug. Jullie dan nog hier?” De schilder haalt zijn schouders op. “Misschien.” De ramen, denkt Bram in de deuropening, de deur. “Je kan de deur achter je dichttrekken”, zegt hij en beweegt de deur heen en weer. “Joe”, zegt de schilder en hij steekt zonder om te kijken een duim op. Hij is gewoon omhoog geklommen en mijn huis ingestapt, denkt Bram terwijl hij de trap afloopt.

“Zo een titel, ‘La distinction: critique sociale du jugement’, klinkt natuurlijk heel deftig”, zegt Bram tegen de eerstejaars studenten sociologie die voor hem zitten, “maar Pierre Bourdieu heeft eigenlijk niets geschreven dat de oma van je oma nog niet wist.” Normaal lachen studenten hierom maar zijn timing is niet goed vandaag, niks lukt. “In het hoorcollege zeiden ze dat hij een van de belangrijkste sociologen op het gebied van klasse is”, zegt een bleek, spichtig meisje argwanend. Vorige week had ze hem met onverholen afkeuring gevraagd waarom hij erbij liep als een student. “Kan jij ons uitleggen waarom Bourdieu zo belangrijk is?”, vraagt Bram, zo neutraal mogelijk. “Hij laat zien hoe we ons door smaak onderscheiden?”, stamelt ze. “Hij laat zien hoe de elite hun bezit verdedigt”, begint een vadsige jongen in een zwart T-shirt met een doodshoofd ongevraagd. “Dat de onderklasse niet kan opklimmen en alles overnemen”, vervolgt hij licht hijgend. “Oké ja, interessant”, zegt Bram. “Iemand anders ideeën?” Hij kijkt het lokaal rond maar de andere studenten kijken gegeneerd weg.

Als hij thuis met een leeg gevoel de trap oploopt ziet hij dat zijn deur open staat. Binnen hoort hij iemand grinniken. De schilder zit aan tafel en kijkt naar het scherm van zijn mobiel, die hij horizontaal in zijn hand houdt. “Hee”, zegt hij met een ontspannen grijns en houdt zijn telefoon omhoog. “Grappig filmpje.” Bram knikt en ziet dan pas het Senseo-apparaat op tafel staan. Verbaasd staart hij naar de blauwe cilinder, die schuldbewust voorover lijkt te leunen. “Ja, het spijt me wel hoor”, zegt de schilder, “maar er was iets met die koffie van jou. Nou ja, het smaakte me gewoon echt niet zeg maar.” Bram knikt. “Smaken verschillen”, zegt hij nonchalant. In de keuken ziet hij zijn favoriete mok in de gootsteen liggen. Er staat een pannetje op het vuur.

“Hee”, roept de schilder terwijl Bram in de gang zijn jas uittrekt, “vanavond Ajax hè.” Over het haakje waar Bram normaal zijn jas hangt, bolt een oranje werkjas. Bram zoekt zijn sloffen maar kan ze niet vinden. Als hij weer binnen stapt staat de schilder in het pannetje te roeren. “Het duurde allemaal wat langer vandaag en ik zag dat je pesto had staan dus ik dacht ik maak even snel een pastaatje. Het is zo simpel hè, die Italiaanse keuken. Maar zo goed in zijn eenvoud, ik hou d’r wel van. Ik heb genoeg hoor dus pak een bordje als je wil.”

Ze zitten samen op de bank als de opstellingen bekend worden gemaakt. Als ze tegelijkertijd instemmend hummen, kijkt de schilder opzij. “Wil jij een biertje?”, vraagt hij opgewekt en beent zonder het antwoord af te wachten naar de keuken. Opvallend snel glijdt hij met twee blikjes bier weer de kamer in. Hij heeft mijn sloffen aan, denkt Bram. De schilder ploft op de bank en steekt zijn hand in het gezichtsveld van Bram, die er een blikje uittrekt. “Proost gap”, zegt de schilder uitgelaten. “Proost”, mompelt Bram. De schilder schreeuwt vaak tegen het scherm en Bram scheldt na zijn derde biertje ook een paar keer een tegenstander uit.

“Ik ben kapot”, zegt de schilder na het laatste fluitsignaal. “Ik kom nooit meer van die bank af denk ik.” Hij schuift met zijn rug richting het zitvlak van de bank. “Hee maar serieus, vind je het erg als ik hier blijf liggen? Ik mag niet meer rijden nu natuurlijk en ik moet hier morgenochtend toch weer zijn.” Met zijn handen achter zijn hoofd gevouwen kijkt hij hem vragend aan. Bram knikt met zijn hoofd richting het bed. “Dan slaap ik wel hier”, zegt hij en klopt op de bank. “Ja?”, vraagt de schilder en hij stapt meteen richting het bed. Hij trekt alleen zijn sokken en zijn broek uit en stapt er met zijn T-shirt aan in. “Hee bedankt man”, zegt hij terwijl hij de kussens opschudt. Hij trekt het dekbed over zich heen, draait een kwartslag en slaat zijn rechterarm om een kussen. “Van de meeste mensen krijg je nog geeneens een kopje koffie meer”, mompelt hij in zijn oksel. Bram trekt voorzichtig de la onder het bed open en pakt er een deken uit. De schilder trekt slaperig een ooglid op, glimlacht en steekt traag zijn duim op. Zo stil mogelijk loopt Bram naar de bank en spreidt de deken uit. Als hij terugloopt voor een kussen slaapt de ander al. Met iets van vertedering ziet Bram hoe hij regelmatig door een halfopen mond ademt en met zijn rechterhand in de rand van het matras klauwt.