Categorieën
Fictie

Opel Corsa

Een verlaten parking met uitzicht op voorbijrijdende auto’s. Guido Belcanto’s droevig is deze wereld speelt op de achtergrond in haar hoofd af. En oh ja, er is één ding, buiten zij, op deze parking. Een vissenkop. Haar aanstarend met dat ene open oog dat naar boven is gericht. Vers geslacht, proper gedaan.

Maar niemand eet je oog.

Als je een rendier was, hing je nu te pronken aan de muur, in deze tijd van het jaar versierden waarschijnlijk kerstlampjes je gewei. Je zou iedere bezoeker aankijken en iedereen zou jou zien. En mooi vinden. Je zou op ze neerkijken terwijl ze pratend en pochend met veel lawaai je in stukken gesneden en in bruin bier drijvend lijf opeten. De dikke buiken puilen uit in de net te strakke hemden. De rode wijn kon je eigen bloed zijn. Naarmate de avond vordert verdwijnen je poten, billen, je hele lichaam in de keel van deze mensen.

En dat is oké, denk je.

Je was toch al oud. Hooguit nog een jaar te leven. Als dat ene schot jou niet op dat moment had geraakt lag je lijk nu te verrotten in de bossen. De maden zouden al aan het hoofdgerecht bezig zijn. Het is beter om opgezet door de taxidermist verder te leven aan de muur. Nog een laatste keer gelukzalig dronken door het bruine bier, de basis van de saus. Helaas voor jou, ben jij geen hert.

Je bent een vis.

Jouw lijf wordt niet in stukken gesneden en ook niet zal je drijven in het bier. Je bent een vis. Jouw lijk wordt gebruikt om voetbal mee te spelen bij een studentendoop. Je kop wordt er afgehakt en gedumpt op een lege parking, een meter naast de vuilbak, op de grond. Enkel nog in staat omhoog te kijken om enkele dagen later geplet te worden door de wielen

van een goedkope tweedehandsauto.