Categorieën
Fictie

Op tijd

Het huis lijkt hem op te wachten. Theo laat zijn ogen over de voorgevel gaan, van de winkelpui naar het woongedeelte. Zijn blik houdt stil bij de kleine ramen. Ramen waar altijd weinig licht door naar binnen wilde. Duister en donker, zo herinnert hij zich de laatste jaren van zijn jeugd. Bruusk stapt hij over de drempel.

Hij weet wat hem te doen staat. Zijn ouderlijk huis moet worden opgeruimd, helemaal leeg. Geruimd is een beter woord, als een stal bij varkenspest. De afspraak met de makelaar staat voor volgende week. Een week om een leven op te ruimen. Zijn vader is in dit huis geboren en heeft er altijd gewoond. Tot hij ziek werd. Twee weken geleden is hij opgenomen in een hospice. Zijn dood zal niet lang meer op zich laten wachten. Zwijgend begint Theo aan de klus. Onbehagen voedt zijn maag. Hij probeert het beeld van zijn vader te verdringen. Nee dus. Zo makkelijk raakt hij zijn verleden niet kwijt.

Theo klapt de vlizotrap naar de zolder open. Het gaat nog steeds even zwaar.
Hij hoort zijn moeder: `Pas op voor je vingers.’
Halverwege een aarzeling. Hij weet wat hij op zolder zal vinden. Links om de hoek staat – vol stof – het bureau van zijn vader. Als kind mocht hij daar onder geen beding aankomen. Het zat altijd op slot. Hoe vaak had hij niet gebedeld om er een keer aan te mogen schrijven? Zich belangrijk voelen. Tevergeefs. Ook nu zit het op slot. Hij kijkt rond, ligt de sleutel ergens? Nee, natuurlijk niet. Vader zou die nooit zo maar laten slingeren. Het kasteel blijft hermetisch gesloten ook al is zijn heer vertrokken. Maar nu heeft hij geen toestemming meer nodig. Hij haalt adem en zet zich schrap. Na drie klappen onthult het bureau zijn geheimen. Bovenin liggen studieboeken en journalen uit de tijd van de bakkerij. Hij bladert er half geïnteresseerd doorheen. Zijn oog valt op een envelop met een zegel van een notaris. Het zal wel een van de leveringsakten van het huis zijn.

Hij leest `voor mij verscheen heden…..’, Theo voelt het bloed uit zijn gezicht trekken en wankelt. Versuft schudt hij zijn hoofd en aarzelend leest hij de akte opnieuw. Wat hij leest heeft hij nooit geweten. Zijn vaders vader blijkt onder curatele te zijn gesteld, zijn vader tot curator benoemd. Opa, de grote afwezige; over opa werd niet gepraat. Zijn opa was gek.

Aan de keukentafel graaft hij in zijn geheugen. Jeugdherinneringen trekken voorbij. Op zondagmiddag fietsen met zijn vader. Rijstepap bij terugkomst. De zoete, weeïge, smaak opgepept met wat kaneel. Zijn vader, die hem naar bed bracht tot in de vierde klas. Dat vertelde hij maar niet aan zijn klasgenoten. De mooie herinneringen vervagen. Vanaf de zesde klas veranderde hun relatie. Vader werd een vreemde.

Zijn gedachten dwalen verder naar het toelatingsexamen voor het atheneum. Hij was niet naar dat examen gegaan. Het vooruitzicht zijn kunsten te moeten vertonen in een bedompt lokaal had hem niet aangetrokken. Geen hoepeltjes voor hem. Daar stond zijn vader met de uitslag in zijn hand.
Buiten zinnen schreeuwde hij Theo de uitslag toe, `Gezakt. Je bent gewoon niet gegaan’.
Hij had hem nog nooit zo boos gezien.
`Ondankbaar kind, zoon van niks….’. Zijn hand schoot uit. Theo zocht mededogen in zijn vaders ogen. Hij vond het niet, vader keek van hem weg. De heftigheid verraste Theo. Een uitbrander, oké. Vader liet nooit na om het belang van school te benadrukken. Maar zoveel agressie en een totaal verlies aan zelfbeheersing? Vader viel van zijn voetstuk.

Zijn hand tegen zijn wang, hij voelt de pijn en de verontwaardiging van toen. Nooit meer hebben ze echt met elkaar gesproken.

Van opruimen komt niets meer. Hij rijdt naar huis, zijn blik vertroebeld door een dikke mist in zijn hoofd. Na een uur komt Vincent thuis. Nog een reden voor vader om niet meer met hem te kunnen praten. Mannenliefde past niet in zijn vaders katholieke denken, doordesemd van de opvattingen van Paus en Kerk. Theo zet een vrolijk gezicht op, maar Vincent kijkt achter die glimlach. Zonder iets te zeggen, gaat hij tegenover Theo zitten. Zijn ogen dwingen Theo te praten. Theo vertelt van de akte, de gekte van zijn opa, de rol van zijn vader. Samen proberen ze te analyseren wat er is gebeurd en welke invloed de toestand met opa op zijn vader zal hebben gehad. Er blijven teveel vragen over.
Vincent zegt wat Theo denkt: `Ga naar je vader voor het te laat is. Vraag het hem.’

Vincent heeft gelijk. Als Theo de gaten in zijn geheugen nog wil opvullen, de kloof tussen hen wil overbruggen, dan moet hij geen dag meer wachten. Twijfel… moet hij nu nog de relatie met zijn vader proberen te herstellen? Stel dat hij dingen hoort die hij liever niet wil horen. Misschien is het beter de onwetendheid te koesteren. Maar wat als….die gekte….wat als hij ook…?

De nieuwsgierigheid wint het van de angst.
In het hospice spreekt een van vaders verpleegkundigen hem aan: ‘Het gaat niet goed met je vader. Zorg dat je hem niet onrustig maakt.’
`Ik zal er rekening mee houden’.
Zijn vader ligt met zijn gezicht naar de muur. Een schilderijtje hangt wat scheef ter hoogte van zijn opgetrokken magere schouders. Die schouders beloven weinig goeds.
`Vader,’ begint Theo aarzelend.
Aan een minieme schouderbeweging merkt Theo dat vader hem moet hebben gehoord. Hij draait zich niet om.
`Vader, ik heb de akte over opa gevonden.’
Nog steeds geen reactie. Theo aarzelt, zal hij maar weggaan. Gewoon verder leven? Nee, daarvoor is het al jaren te laat.
Dan houdt Theo het niet meer: `Kijk naar me! Praat met me! Zie me! Ik heb godverdomme die klote akte gevonden! Die akte, die jij altijd voor mij verborgen hebt gehouden. Waarom toch? Wat mankeerde opa? Straks krijg ik het ook! Wie zegt me dat het niet erfelijk is?’ Theo’s stem hapert.
Dan komen ook de laatste en belangrijkste vragen: `Waarom was je toen zo verschrikkelijk boos? Wat betekende het voor jou? Leg het me uit. Help me!’ Theo rukt aan zijn vaders schouders.
Vergeten is de verpleegkundige en haar waarschuwing. Minutenlang gebeurt er niets. Theo trekt, vader kijkt naar de muur. Dan draait zijn vader zich eindelijk om. Tranen stromen over beider wangen.
`Wil je praten?’
Vader knikt.
`Zullen we dan naar buiten gaan? Denk je dat dat gaat?’
Weer een nauwelijks waarneembare knik. Het is vast een ja.

Theo tilt zijn vader uit bed en zet hem in de rolstoel. Hij weegt haast niets meer. Zijn grote, boze vader. Wat beenderen en een nauwelijks kloppend hart. Ze passeren de verpleegkundige die op het geluid is afgekomen. Ze laat de mannen. De zon schijnt en verdrijft de kou.

Vader herinnert zich de keer dat ze samen keken naar het opblazen van de oude sluis. ’s Morgens het gezamenlijke ontbijt. Moeder nog in bed.
`Je stinkende best doen, zei je elke morgen als ik naar school ging, wat vond ik dat vreselijk.’

Zo komen ze bij het toelatingsexamen. Eindelijk ontdekt Theo waarom vader toen zo heftig reageerde.
`Jouw opa was al lang ziek. Stemmingswisselingen, extreem boos dan weer lief. Voor ons geen peil op te trekken. Wat hij mankeerde heb ik nooit geweten. Hij kreeg gewoon het stempel “gek” en ging naar het gekkenhuis. We bezochten hem twee keer per jaar. Hij sprak niet meer. Lag als een baby in bed.’ Vaders blik glijdt naar binnen. Hij gaat verder: `Ik was veertien en moest voortaan voor mijn moeder, broers en zussen zorgen. Ik zou na de zomer naar de HBS gaan. Ik wilde advocaat worden of rechter. In ieder geval iets belangrijks. Geen dorpsbakker.’

Theo wrijft over de rug van zijn vader. Moedigt hem aan verder te gaan.
`Toen jij geboren werd, wilde ik maar een ding. Jij moest en zou de opleiding krijgen die mij niet gegund was. En toen jij de kans kreeg, verpestte je het. Ik werd zo boos. Al mijn frustratie zat in die klap. Jij had de mogelijkheid verdomme om meer te worden dan bakker. En in mijn boosheid en agressie zag ik mijn vader, jouw opa. Opa met zijn onvoorspelbare gedrag. En toen werd ik zo bang. Mijn hele leven ben ik bang geweest. Lette op elke mogelijke verandering in mijn gedrag, elke aanwijzing. Die angst om ook gek te worden kon ik met niemand delen. Ik wilde jou niet met diezelfde last laten opgroeien. Maar nu weet ik dat hij gewoon overspannen was.’

Theo brengt zijn vader terug naar zijn kamer. Bij het afscheid de eerste kus in dertig jaar.
`Doe Vincent de groeten. Je hebt het met hem getroffen.’
Keurde zijn vader hun relatie toch goed? Theo zwijgt. Het is zo’n moment dat je niet verder moet willen graven. Hij gaat naar huis. Niet erfelijk, jubelt hij.

Zijn vader overlijdt een uur nadat Theo is weggegaan. In z’n eentje, zoals hij alles alleen deed. De verpleegkundige belt en zegt dat vader met een glimlach is heengegaan.