Categorieën
Fictie

Op Straat

Stap voor stap beweeg ik me voort over de donkere straat. Er is niemand te zien. Traag til ik mijn arm op om de fles in mijn hand naar mijn mond te bewegen. Het zal niet lang meer duren of hij is leeg, de fles zal de nacht niet overleven, maar ik waarschijnlijk helaas wel. Ik sla de volgende straat in en alsof er een knop om gaat begint het ineens te hozen, met bakken komt het uit de hemel. Het zal me wat, doorweekt was ik toch al daarnaast is het niet alsof ik er iets aan kan veranderen.
Nog een klein stukje en dan ben ik bij al mijn bezittingen aangekomen, mijn thuis. Terug naar mijn ouderlijk huis kan ik niet, wil ik niet en zal ik ook zeker niet gaan. Mijn ouders zien me al aankomen. Nee, naar huis zou alleen maar voor leed zorgen. Kind ben ik eigenlijk nooit geweest, ik durf niet eens te bedenken wat het is om een kind te zijn. Vroeger, op school, dat waren kinderen en ik kon me met geen mogelijkheid met hen identificeren. Nee ik was anders, vreemd en misschien wel nooit een kind. Pesten deden ze me niet, ik was gewoon alleen. Ik observeerde de zorgeloosheid van het rondrennen en elkaar tikken op het plein. De volgens mij totaal niet intelligente antwoorden die ze gaven tijdens de les, hoe kunnen ze die troep nou serieus nemen? Nee als ik terugdenk was ik zelfs op de basisschool al vreemd, alleen en in een andere wereld.
Daar is mijn hoekje van de wereld, een klein en bijna droog plekje op deze aarde en het is door mij in bezit genomen. Er ligt een hond op mijn deken onder het verder nutteloze afdak. Of de eigenaar van het pand waar het afdak aan vast zit hier ooit iets heeft willen bouwen is me niet duidelijk, maar voor mij is het goed nieuws. Een klein stukje afdak boven verder niets. De hond gromt terwijl ik hem een stukje opzij duw en me naast hem neer laat zakken.
‘Ja… kun je grommen naar me, maar ik kom er toch gewoon bij,’ vertel ik hem en hij legt zijn kop op mijn benen. Dieren zijn tenminste duidelijk, ze laten je weten wat ze willen of juist niet, ze zijn tenminste niet… nou ja… menselijk.
Mijn gedachten gaan altijd snel alle kanten op, alcohol lijkt dat iets te vertragen, een fijn en welkom gevoel. Ik neem nog een grote slok en maak daarmee de fles leeg, een fles die ik daarna naast me zet met alle intentie om hem op een later tijdstip naar de glasbak te brengen.
Traag en liefdevol begin ik de hond te aaien, hij kijkt op met grote ogen en piept zacht. ‘Deze wereld is hard,’ vertel ik de viervoeter die me zijn moeilijkheden verteld met een enkele blik. ‘Of de volgende wereld beter is weet ik niet, sommige zeggen van wel, andere van niet. Ach dat zijn mensen, die kun je niet vertrouwen… ze zullen zeggen wat ze denken dat waar is, maar met de volle overtuiging alsof er geen twijfel over mogelijk is. Zelfs al steekt het bewijs ze letterlijk in de rug kunnen ze nog het tegendeel geloven.’
Ik krab mezelf op mijn achterhoofd en bemerk nattigheid, anders dan regenwater, dit is stroperig en warm. Wanneer ik naar mijn hand kijk heb ik direct de bevestiging van wat ik al wist; bloed. Niets ernstigs, gewoon een hoofdwond die niet wil genezen omdat ik telkens te laat door heb dat de jeuk die ik voel eigenlijk betekent dat het herstel zich aanbiedt. Ik smeer mijn hand af aan een afgeragde handdoek die ik altijd in de buurt heb. Als mensen bloed aan mijn kleding zien raken ze van streek, het is beter om dat te vermijden.
Ik rommel wat in de tasjes die ik om me heen heb verzameld en kom een voorverpakte sandwich tegen. Bewaard voor een tijd dat ik het echt nodig zou hebben, door de alcohol ben ik er van overtuigd dat ik het precies voor dit moment heb bewaard. De verpakking is binnen drie tellen open en ik begin gulzig te eten. Nadat ik de helft op heb zie ik pas dat de hond me met veel te vriendelijke ogen aankijkt en ik geef hem een stuk. ‘Het gaat niet goed met je als je van mij afhankelijk bent voor je eten!’ Smakelijk begin ik te lachen, mijn eigen trieste grap smaakt me beter dan de sandwich waarvan ik rustig nog een aantal happen neem.
Het is stil op straat en ik ben alleen, de hond is vertrokken nadat hij een stukje van mijn sandwich had gekregen. Blijkbaar smaakte het naar meer en voor meer moest hij op zoek. Niet erg, mijn dag zit er toch echt op. Het is laat, de alcohol zorgt er inmiddels voor dat ik hoofdpijn begin te krijgen in plaats van de gewenste buz.
Onwillekeurig betrap ik mezelf erop dat ik herinneringen aan het ophalen ben. Ik heb altijd alcohol gebruikt als zelfmedicatie, vroeger al dronk ik graag. Drank heeft de wereld altijd makkelijker gemaakt. Ik dronk eigenlijk nooit alleen en ging vaak met vrienden de stad in. Iedereen vond het fijn om met mij samen op te trekken, ik zorgde er namelijk voor dat de handen gevuld bleven met drinken. Bij het uitgaan was het voor mij namelijk zo dat ik altijd iets moest doen en dan verkoos ik drinken, liever drinken dan dansen of praten. Dansen is sowieso een afgang, ritme is niet mijn vriend en praten lukt niet met die herrie. Waarom ging ik eigenlijk naar dat soort plekken? Opeens besef ik het me weer, ik dronk niet alleen, nee ik was ook goed in het kijken naar andere mensen. Wat zijn mensen vreemd, mannen en vrouwen beide, maar vooral mannen waren vreemd en ook eigenlijk het bekijken niet waard. Vrouwen, daar keek ik graag naar, maar ook naar de interactie tussen de twee. Hoe kan het dat ze met elkaar praten in de verschrikkelijke herrie? Opeens begin ik zacht te grinniken, ‘vroeger…,’ zeg ik hardop waarna het gesprek zich verder afspeelt in mijn gedachten. Het kan namelijk niet langer dan een jaar geleden zijn, ik heb inmiddels de respectievelijke leeftijd van twintig jaar bereikt en weet dus alles af van deze wereld. Ik lach hardop om mijn eigen gedachten.
Ik schrik op uit mijn gedachtewereld door het geluid van brekend glas.
‘Smeerlap! Zit je daar weer? Wat een loser ben je toch…,’ schreeuwt een jongen die op de straat staat. Zijn vrienden lachen en moedigen hem aan om nog een flesje te gooien en drie seconden later slaat ook die naast me kapot tegen de muur.
Ik voel de glasscherven tegen me aanspringen, maar hij is overduidelijk te dronken om goed te kunnen gooien.
‘Viespeuk, ik zag wel hoe je naar mij aan het kijken was,’ klinkt een hoge vrouwelijke stem. ‘Nou… ik ben niet alleen, dus haal je maar niets in je hoofd!’
Het meisje staat half verscholen achter een lange brede jongen, een jongen waarvan de ogen ver van helder staan.
Zelf ben ik ook niet helder, maar bij mij is het alleen alcohol, deze jongen zit vol met lust, iets waar het meisje nog wel achter gaat komen. Ik zie ze daar staan, drie jongens en twee meisjes. Ze zijn stuk voor stuk niet ouder dan 18 en hier zit ik een paar kleine jaren ouder en door deze gasten gezien als een mislukking. Natuurlijk hebben ze geen ongelijk, ieder heeft het recht op zijn eigen mening. Ik vraag me alleen wel af wat nou precies een mislukking is. Wanneer is iets gelukt? Ben ik dan mislukt, is mijn leven mislukt, wat maakt mij nou een mislukking?
De jongeren lopen door, er is blijkbaar geen lol te beleven aan een dronkenlap op straat die niet reageert.
Ik zie hoe de jongen met zijn lustvolle ogen zijn hand langs de rug van het meisje laat glijden, zo haar spijkerbroek in. Ze slaakt een gil en duwt hem weg.
Daar gaat hij het echt niet bij laten, bedenk ik, maar ik weet dat het zeker niet mijn zaken zijn. Een ander gedeelte van mijn geweten, als je het zo kan noemen, spreekt me erop aan en probeert me te overtuigen om hen te volgen en haar te helpen. Ik leg het snel het zwijgen op, daar komt absoluut niets goeds van, behalve minimaal een nacht een dak boven mijn hoofd en tralies om me binnen te houden. Laat mij maar liever hier, in mijn eigen hoekje, mijn eigen wereld.