Categorieën
Fictie

Op de vlucht

Snel de hoek om, blijven rennen, het bos in. Ook al branden mijn longen bijna uit mijn borstkas ik bleef rennen. Niet omkijken maar rennen, weg van die auto. Ik moest ervoor zorgen zoveel mogelijk afstand te creëren tussen mij en de auto. In een vlotte beweging klom ik over een hekje, ik moest nu binnen de bebouwde kom zijn. De bewoonde wereld komt in de buurt. Het gevaar was echter nog niet geweken, het was stikdonker en ik zag geen hand voor ogen. Geen idee waar de bestuurder was, misschien had hij helemaal niet de achtervolging ingezet. Wie weet was hij doorgereden op zoek naar een ander slachtoffer, iemand die niet zou ontsnappen. Ze was trots op zichzelf, maar ze was nog niet veilig. Elk moment kon de bestuurder uit het niets opdoemen en haar weer de auto in sleuren. Dit keer zou hij wél het slot checken, hij zou er zeker voor zorgen dat ze geen tweede keer kon ontsnappen. Wat zou er nog van haar over zijn als de man klaar met haar was? Vrij weinig, als de man haar weer te pakken zou krijgen zou ze zeker weten de volgende ochtend niet halen. Niemand zou weten wat haar overkomen was, of waar ze heen zou zijn gegaan. Het stak, dan zouden haar ouders denken dat ze was weggelopen na de ruzie, alsof ze dat ooit zou doen, maar als ze opeens zou verdwijnen dan zou haar ma zeker die conclusie wel trekken. Pa zou het nog even willen afwachten, maar uiteindelijke zou hij zwichten en ma zou hem overtuigd hebben dat hun enige dochter na jaren van ruzie toch was weggelopen. Terwijl zij in een greppel lag te decompenseren. Ze had geen vertrouwen in de politie, niemand zou haar vinden en moederziel alleen zou ze sterven aan de hand van een gruwelijke misdadiger. Al deze gedachtes beleven maar door haar hoofd schieten, waar moest ze toch heen? Ze kon zich met geen mogelijkheid oriënteren en elke stap die ze zette was een stap in het duister. Verdomme! Ze lag languit op de grond, haar broekspijp was blijven hangen achter een tak. Dit is dus wat mensen bedoelen als ze sterretjes zien. Ze bleef even zitten, om bij te komen. Ze kon zichzelf wel een klap voor haar duizelige hoofd geven, wie gaat nu even zitten om op adem te komen als de dood zelf je op de hielen zit. Misschien had ze hem wel afgeschud, of was hij ook gevallen. Turend in de verte probeerde ze iets te zien, ver weg zag ze licht. Ze zag de verlichting van de kerktoren, de contouren staken af tegen de zwarte lucht. Veiligheid! Daar moet ik heen, net zoals in de oude Wilde Westen romans die ze zo graag las. In de kerk was je veilig, en hier op het platteland waren kerken nog steeds in gebruik. Opstaan lukte, alleen rennen ging niet meer. Ze moest een beetje hinken vanwege haar enkel. Die was dubbel geklapt en begon al flink te zwellen. Al strompelend baande ze een weg door het struikgewas. De rest van de vlucht moest ze noodgedwongen op het pad afleggen. Haar enkel kon geen houvast vinden op de ongelijke ondergrond van de berm. Nu kon hij haar makkelijk zien, er was vast niemand anders op dit uur in het buitengebied. De ruzie met haar ouders leek niks vergeleken met gevaar waar ze nu in verkeerde. Had ik maar gewoon mijn woorden ingeslikt, dan zat ik nu niet zo in de problemen. Dan was ik nu niet op de vlucht voor een gek met een vleesmes. Het had haar zo’n goed plan geleken, gewoon even het huis uit naar het dichtstbijzijnde tankstation. Ze had een pakje peuken gekocht en besloten die in een keer op te roken. Later die avond zou ze wel weer verschijnen. Even stoom afblazen. Hij had haar gegrepen juist toen ze de moed verzameld had om weer terug naar huis te gaan. En dat met nog wel een kwart pakje peuken over. Een grote hand had haar nek gegrepen en op de grond gewerkt. Het logge lijf van de vent had voorkomen dat ze ook maar iets in te brengen had gehad. Toen trok hij een groot vleesmes en wees naar zijn auto. Hij moet haar hebben opgewacht. De auto stond namelijk niet op de parkeerplaats, maar vlakbij het tafeltje waar zij zojuist had zitten roken. Een meisje alleen in het donker, wat een kans moet ie gedacht hebben. En zij, stom genoeg om daar zo te zitten. Niks van dat alles maakte nu nog uit, nu was het belangrijkste in veiligheid te komen. Gelukkig was ze niet te ver van huis gegaan. De auto waar hij haar in had geduwd had geen kinderslot, dus bij het eerste te beste rode stoplicht had ze de deur geopend en het op een lopen gezet. Met die verschrikkelijk man op haar hielen. De deur van de auto had hij met een klap dichtgeslagen. Rennen, gewoon blijven rennen en niet om kijken dat was de enige gedachte die ze had. Zo fit kon die griezel niet zijn. Deze achtervolging moest ze toch wel winnen. Het pad waar ze zich bevond begon langzaam over te gaan in een verharde weg. Bijna, bijna had ze de rand van het dorp bereikt. Daar zou de man misschien ook wel van schrikken, want al was het laat als ze gillend over straat zou gaan dan zouden mensen wel naar buiten komen om te kijken wie de rust verstoorde. Dan zou de man zeker niet nog een keer toeslaan. Haar enkel deed flink zeer alleen daar mocht ze nu niet aan toegeven. Het geluid van voetstappen achter haar deden haar gedachten onderbreken. Was hij vlakbij? De angst borrelde op, ze stond midden op het pad en er was geen mogelijkheid om zich ergens achter te verschuilen. Doorlopen, stilstaan heeft nu geen enkele zin. Ze bevond zich nu vlakbij het eerste huis, het licht was nog aan en ze kon duidelijk door de ramen naar binnenkijken. Ok. Nieuw plan, gewoon bij deze mensen aanbellen en om hulp vragen. Dan kon ze haar ouders en de politie bellen en was ze veilig, dan was ze gewoon veilig.

De telefoon ging over en de vrouw in de woonkamer keek haar vol medeleven aan. Na drie keer overgaan werd er opgenomen. Opgelucht begon ze haar verhaal te vertellen, alleen toen ze haar naam zei hing haar moeder op. Die was nog steeds boos vanwege de ruzie, ze had geen idee dat haar dochter bijna was ontvoerd, ze had gewoon opgehangen. De moed zonk haar in de schoenen en verslagen gaf ze de telefoon terug aan de vrouw. Hulpeloos keek die haar aan, het was al erg laat en het was misschien beter als ze naar huis ging lopen. Het was toch niet zo ver meer. De vrouw was er duidelijk niet van gediend dat ze nog langer zou blijven. Ze wist wanneer ze niet welkom was en bedankte voor de hulp. De voordeur sloot achter haar en de haak werd erop geschoven. Boem. Daar was ze weer, in het donker met een beurse enkel. De man had waarschijnlijk zijn achtervolging gestaakt. Daar stond ze dan, waar moest ze nu heen? Thuis, de kerk, of het bos weer in. In het bos achter haar was ten minste wel iemand naar haar op zoek en dat was meer dan ze van haar ouders kon zeggen. Of misschien was hij ook niet meer naar haar opzoek. Het verdriet kwam er in een keer uit, daar op het stoepje voor het huis van een vreemde. Haar enkel deed zeer en ze was nog steeds doodsbang. Ze had net zo goed in stukjes gesneden kunnen worden door die malloot. Dat was ten minste iemand die moeite deed om haar te vinden. Toen hoorde ze het, het blaffende geluid. Dit geluid kon maar een ding betekenen: Papa! Hij had haar al gezien en snelde met het kleine hondje aan de lijn naar haar toe. Hij sloot haar in zijn armen. ‘Je hebt mama goed boos gemaakt, dus ik dacht ik ga nog maar een extra rondje lopen met de hond. Wie weet kom ik je tegen.’ Dus toch, iemand had zich toch zorgen om haar gemaakt.