Categorieën
Fictie

Oorverdorven stil

Onder haar voeten razen auto’s voorbij. Ze zit in de nok van een viaduct, haar voeten opgetrokken op een metalen reling. Het stuur van haar fiets rust tegen de fundering van het wegdek dat vlak boven haar hoofd dat een niet aflatende stroom voertuigen voortstuwt. De fiets waarmee dit begon. Of was geëindigd, het is maar hoe je het bekijkt. En nu zat ze hier. De ring van Amsterdam lag aan haar voeten en een normaal leven leek binnen bereik.

Ze liet de aaneenschakeling van de middag passeren. Net zolang tot het verhaal niet meer van haar was, maar dat van een vreemde dat ze via via had opgepikt. Hoe eindigen dingen? Was dit geëindigd? Ze kon zich hooguit herinneren hoe het begon. Het begon zoals het altijd deed. Een zucht, het ontwijken van haar blik. Daarna kwam het zwijgen. Kaakspieren die straktrokken en strepen in zijn wangen maakten. De hand die traag omhoogging, zijn vingers verkrampt en gespreid. Niet om uit te halen, maar om met strakke kaken de nagelranden van zijn duim kapot te bijten. Hij sloeg haar nooit.

Zwijgen was pijnlijker. In de loop der jaren had hij zijn techniek geperfectioneerd. In de vroege jaren van hun samenzijn had het haar tot wanhoop gedreven. Ze probeerde te redeneren, schuld te erkennen, gelijk te geven, te tieren om aan het einde uitgeput te verzanden in een met tranen gevulde smeekbede. Waarop hij de kamer meestal verliet. Op dat moment zou ze zelfs een mep verkiezen boven de wanhoop van genegeerd worden. Een brandende wang was een teken dat er iets was om voor te strijden. Maar er was alleen stilte en de zekerheid dat ze samen ieder apart dagenlang steeds verder wegzakteen in een donkere put waar ze vast kwamen te zitten in het slijk van hun ingesleten patronen.

Sommige dingen vond hij gewoon niet makkelijk. Zoals de rit naar de stad in het weekend. Een fietsrit te koud en te ver, de bus te vol met vieze mensen. Dus het eerste halfuur na aankomst liet ze hem tot zichzelf komen. Paniekerig werd ze van maalstromen die ze vanuit de verte op hen af zag komen en niet kon afwenden. Alsof je jezelf ziet verdrinken van een afstandje. Zo’n maalstroom kon vanalles zijn. Dat was het ellendige, voor je het wist zat je er middenin. Een keer waren het vier dertigers die in de theaterfoyer met biertjes en grote gebaren hun enthousiasme voor het avondje uit tentoonspreidde. Lachend kwamen ze op het tafeltje naast hen af. Ze keek opzij, zijn ogen priemden al recht vooruit. Hij snoof afkeurend en negeerde haar vragen waarmee ze in een halfslachtige poging probeerde iets van de sfeer te redden. Een paniekgolf stootte op vanuit haar buik naar haar keel en bleef daar hangen. Had ze het verkeerde tafeltje gekozen?
Het was niet altijd zo geweest natuurlijk. Maar zo gingen zes jaar voorbij.

Vanmiddag waren ze samen vertrokken. Op de fiets. Naar een museum en daarna iets eten in de stad. Het weer was niets, geen regen en geen zon. Hij reed schuin voor haar want ‘naast elkaar fietsen wordt zo overschat’. Je zit alleen maar andere weggebruikers in de weg.

Voor haar opende de straat zich tot een plein, de gestucte witte muren van het museum als hoge kolossen blokkeerden het zicht op de straten voorbij het plein. Haar ogen gleden van de weg voor haar naar de stoepranden op zoek naar een plek om hun fietsen te stallen. Vanuit de periferie van haar zicht kwamen ineens de spaken van zijn voorwiel in beeld. Geschrokken draaide ze haar hoofd om en sprong uit reflex van haar zadel, landde met beide voeten hard op de rode klinkers en wist zo op een haar na zijn achterwiel te ontwijken. Hij stapte met een soepele zwaai van de fiets af en klemde het voorwiel in het fietsenrek. Ze keek hem aan. Verbluft. Ze wreef over haar enkel. Hij reeg zijn voorwiel met een fietsketting aan de metalen houder. Het rek was nu vol. Ongeloof welde op in haar keel. Net als de vurige wens om eens gezien te worden.
“Pas je op? Je sneed me af.”
Ze probeerde het zo neutraal mogelijk te laten klinken, opgewekt bijna, alsof ze een grappige anekdote op het werk aanhaalde. Toch klonk het in haar hoofd minder verwijtend dan toen ze de woorden op straat hoorde rollen.
Niets.
Wat wilde ze hiermee bereiken? Een verontschuldiging? Onmogelijk. Zeker in het openbaar.
“Ik had het niet zien aankomen. Had je niet even je hand kunnen uitsteken?”
Andere aanpak. Het was sterker dan haarzelf. Misschien kwam er nu iets wat leek op een antwoord op haar als vraag vermomde verwijt. Alles beter dan niets.
“Jezus”, snuivende uitademing.
“Je snapt toch ook wel dat ik hier zou stoppen als er daar een plekje is. Dat je daar geen rekening mee kunt houden zeg.”
Als ze nu zou stoppen had ze waarschijnlijk alleen een woordeloze wandeling tot de deur van het museum veroverd. Stop, nu. Je weet hoe dit afloopt.
“Waar zal ik mijne dan neerzetten?”
Ze klonk onzeker, ze haatte dat. En toch voelde ze zich een paar seconden sterker dan ze zich in lange tijd had gevoeld. Ze liet de woorden tussen hen inhangen. Haar blik op zijn ogen. Ik kan niet meer terug, dacht ze bij zichzelf.
“Ongelooflijk. Echt ongelooflijk.” Hij trok zijn mondhoeken scherp naar achteren.
Ostentatief focuste hij zijn blik op de appartementen boven haar. Draaide om zich heen alsof hij getuigen zocht die zijn overduidelijke gelijk konden bevestigen. De straat was leeg. Zonder om te kijken zette hij koers richting het museum. Terwijl ze hem zag lopen, al nagelrandbijtend, trokken haar schouders haar omlaag. Via haar benen, voeten en schoenen droop het laatste beetje energie om gewoon weer door te gaan via de mossige klinkers weg over de stadsvloer. Er was geen ruimte meer om zijn stilzwijgen aan te horen, om tegenover de persoon achter het kaartjesloket van het museum te doen alsof ze een leuk stel waren terwijl hij al voor haar uit liep naar de kaartcontrole wanneer zij nog haar pinpas in haar portemonnee moest steken en op een drafje achter hem aan moest lopen ‘waarom duurt zoiets altijd zo lang bij jou’, om zich in te houden niets te zeggen van dat geknauw op zijn vingers waarbij hij zo irritant smakte. De reddingsboei was volgelopen en naar de bodem gezakt.
Ze stapte weer op haar fiets, reed over het smalle voetpad richting het museum. Haar jas tikte tegen de zijne toen ze hem inhaalde. Even voelde ze haar wangen warm worden, een vonkje, stel dat hij haar achterna zou gaan? Hardop lachte ze bij het idee, ze klonk een beetje waanzinnig moest ze toegeven. Ze fietste voorbij de witte museumwanden, stak haar hand uit en racete door een straatje met koffiedrinkers op krappe terrasjes, slalomde langs hipsters die honden en kinderen uitlieten. Ze trapte stevig bij om een grachtenbrug over te komen zonder op haar pedalen te hoeven staan. Er volgde nog vier bruggen. Ze liet hem achter.
Op het moment dat het fietspad stopte waren haar gedachten nog niet uitgeraasd. Ze parkeerde haar fiets en zakte neer onder een viaduct.
Een ding wist ze zeker. Ze zou zijn zwijgen niet meer horen.