Categorieën
Fictie

Onvoltooid afscheid

Krijsende muziek schalt door de speakers van de aftandse bus, die op een moordend tempo over de smalle bergweggetjes scheurt. Cécile klemt haar rugzak nog wat steviger vast. In haar ogen zijn zowel een diepe vermoeidheid als doodsangst zichtbaar. Van ellende weet ze niet meer wat ze met zichzelf aan moet. Het liefst zou ze nu gaan slapen, omdat ze al bijna 30 uur wakker is, maar het lijkt onmogelijk om zich nu te ontspannen terwijl elke seconde haar laatste zou kunnen zijn. Vanuit het raampje naast haar heeft ze een indrukwekkend uitzicht over de overweldigende, machtige bergen van de Andes, maar de wielen van de bus lijken soms nog geen tien centimeter naast de afgrond te rijden. Haar hart begeeft het bijna van de paniek als ze wat stenen weg ziet schieten naast de banden en een hard gekraak hoort van het chassis. Ze rukt het gordijntje dicht en sluit haar ogen. Ze herinnert zich de woorden van haar yogalerares, als uit een ver verleden. ‘De adem is de sleutel tot je lijf, de sleutel tot ontspanning. In door je neus, uit door je mond…’ Uit alle macht probeert Cécile zich te ontspannen, maar haar lijf geeft geen sjoege. Wat had je dan verwacht, denkt Cécile. Wie kan nou de paniek wegpuffen als je elk moment de diepte in kan storten?

Een aantal maanden geleden leek het eigenlijk het enige juiste, om weg te gaan. Alles in haar schreeuwde van weerstand en uitputting. Elke dag was er een teveel. In de bus denkt ze terug aan de dagen dat de dood haar een verlossing leek, terwijl de gedachte aan sterven haar op dit moment beangstigt. Werktuiglijk pakken haar vingers de hanger om haar nek, de enige tastbare herinnering aan haar verleden die ze nog in haar bezit heeft. De rest heeft ze allemaal als vanzelfsprekend weggedaan zodra ze daar de kans voor kreeg. Het leegruimen van haar moeders woning was wat dat betreft een snel geklaarde klus. Het voelde als een indirecte vorm van wraak die ze niet eerder durfde uit te voeren, om de restanten van haar moeders leven weg te gooien met dezelfde achteloosheid als waarmee haar moeder met haar om was gegaan. De ketting die ze achterin een lade van haar kledingkast vond, kon ze echter niet laten gaan. Die had teveel betekenis. De donkergekleurde edelsteen aan de hanger was ondanks alles een geruststellende aanwezigheid geweest in haar leven, toen hij nog om de nek hing van haar oudere zus, voordat zij uit Céciles leven verdween. Hoe de ketting in de kast van haar moeder terechtkwam, was haar een raadsel, maar het verwarmde haar en stak tegelijkertijd.
Opeens was ze bevrijd en was er niemand meer die haar nodig had. Ze waren allemaal weg, maar zij was er nog wel, en daar had ze geen rekening mee gehouden. Hoewel ze zo lang had verlangd naar de verlossing, was hij leeg en banaal toen hij er eindelijk was. De dingen bestonden, maar hadden geen betekenis meer. De behoefte om mee te doen met het leven had haar verlaten. Ze wilde eigenlijk niks meer, nooit meer. Ze hoopte op verlichting, in welke vorm dan ook.
Maar die verlichting kwam natuurlijk niet. Het werd zelfs alleen maar erger die eerste weken. Compleet ontheemd liep ze door de straten met de blik van een opgejaagd dier. Het grootste deel van de tijd sloot ze zich op in haar slaapkamer. Een vriendin belde haar af en toe. Dan deed ze of het goed ging. Ze hoorde de zorgen in haar stem en kon het niet over haar hart verkrijgen om ook haar nog teleur te stellen. Zo vergleed de tijd. Ze werd als een rots, onbeweeglijk, zonder besef, geen wil om ergens heen te gaan noch om terug te keren.
Steeds vaker merkte ze dat haar gedachten vaker uitgingen naar haar zus. Zij was altijd haar houvast geweest, de persoon wiens hand ze vast kon grijpen in de nabijheid van de storm die hun moeder was. En opeens was ze weg. Haar moeder had Cécile nooit verteld waarom of wat er gebeurd was. ‘Ze komt niet meer terug, Sees. Die is zo ver als ze maar kon, weggegaan van ons. Hou nou maar op met uit het raam te kijken.’ Toen was ze nog maar tien jaar oud geweest. Het was altijd als een onvoltooid afscheid blijven voelen. Meer dan ooit miste ze het geruststellende gevoel van de hand van haar zus, die de hare omsloot.

Na een ondefinieerbare hoeveelheid tijd in haar slaapkamer te hebben doorgebracht, merkte ze dat er geleidelijk toch iets in haar in beweging kwam. Er ontstond een verlangen om weg te gaan, zoals haar zus ook had gedaan. Ergens anders te zijn, waar geen herinneringen op de loer lagen. Ze pakte haar laptop en begon te zoeken naar een enkel vliegticket naar ver weg.
Nu is ze ver weg, en ze ervaart hoe het is om weg te zijn, zonder dat iemand weet waar ze is. Het is niet zo anders als ze had verwacht dat het zou zijn. Het is eigenlijk hetzelfde als voordat ze vertrok. Maar waar ze is, voelt wel heel anders. Ze ziet hoe kleurrijk en luidruchtig het land is, hoe klein de mensen zijn in vergelijking met haarzelf, maar ook hoe krachtig en veerkrachtig ze zijn, hoe ze zich overgeven aan de gevaren van het leven als zijn ze onvermijdelijk. Het land heeft wat leven terug in haar gebracht. En na maandenlange omzwervingen, is ze beland in deze bus des doods, niet wetend hoe lang ze onderweg zal zijn, naar een plek met een naam die ze niet uit kan spreken.
Opeens voelt ze een hand op de hare. Van schrik opent ze haar ogen en kijkt opzij. Het blijkt een lokale medereizigster te zijn. Ze kijkt haar aan en streelt haar hand. ‘Tranquila señora, tranquila…’ Ze gebaart aanmoedigend naar het gordijntje. Cécile trekt het open en ziet dat ze, zonder dat ze het doorhad, eindelijk de dorre, droge hoogvlakte hebben bereikt. Het land is leeg, rustig, maar vruchteloos. Een diepe zucht verlaat haar. De tranen beginnen te stromen.