Categorieën
Fictie

Ontzield

Onder de boom waar de lucht alleen een stikkend gevoel geeft. Het stikkende gevoel was iets dat ze herkende. Over de jaren heen is het een vertrouwd gevoel geworden. Ze kan zich de eerste keer dat ze de boom aanraakte nog herinneren. Ze kan zich alles nog herinneren. Is ze daarom hier? Ze weet het niet. Misschien miste ze het gevoel. Het bloed dat van de takken drupt laat ze op haar neerstorten. Haar voeten heeft ze diep begraven in de grond. Zij is een met de boom en de boom is een met haar. Was het altijd al zo geweest? Ze schudt haar hoofd, “Nee, dat is onmogelijk”. Zijn haar herinneringen echt? Ze begraaft haar voeten nog dieper in de grond, waardoor het zand opstuift. Het maakt haar niet uit wat echt en niet echt is. Uiteindelijk maakt niets uit. Als er iets is, moet er ook een niets zijn. Zo werkt het in haar ogen. Ze boort de dolk dieper in haar hart. Als er niets is, kan er geen iets zijn. Tranen zijn uit haar ogen aan het ontsnappen zonder dat ze weet waarom. Ze doet geen moeite om ze weg te halen. ‘Tranen zijn niet belangrijk,’ fluistert ze zacht met de wind mee. Is het de eerste keer dat ze sprak sinds ze hier weer terug was gekomen? Ze weet het niet meer, maar wat weet ze eigenlijk nog wel? De bladeren van de boom zijn rood gekleurd net zoals haar ogen. Het bloed laat ze gaan, het boeit niet meer. Wat was het nut om het te stoppen? Om iets te voelen boort ze de dolk nog dieper in haar hart. Was het onder de boom begonnen? Vast wel, want onder de boom is alles begonnen. De nacht is gevallen, maar ze staat er nog steeds. Zij is een met de boom en de boom is een met haar. De duisternis valt in haar ogen.

Een jongetje dat zich verstopt heeft achter de boom, ziet haar vallen. Hij weet niet waarom, maar opeens voelt hij een brok in zijn keel zitten als ze niet meer beweegt. Is ze dood? Hij durft niet naar haar toe te gaan. Bang dat ze hem vermoord. ‘Wat is je naam?’, fluistert hij zacht. Het geritsel van de bladeren is het enige antwoord dat hij krijgt. Hij zet langzaam een stap naar voren, maar het lijkt alsof de boom hem tegen houdt. Hij kijkt omhoog en een rode druppel valt via een tak op zijn neus. Hij voelt de druppel naar zijn mond glijden en proeft de ijzeren smaak. De rode druppels vallen nu harder op hem neer. Een brandend gevoel lijkt binnen te dringen terwijl hij op zijn knieën valt. Het stikkende gevoel laat hem naar adem snakken. Hij kijkt naar het meisje dat een paar meter van hem vandaan op de grond ligt. Zijn blik is langzaam troebel aan het worden zonder dat hij weet waarom. Nog net ziet hij hetzelfde rode spul dat van de takken valt over haar wangen en ogen glijden. Haar witte haren liggen verspreidt over het zand en hij vraagt zich af welke oogkleur ze heeft. Hij raakt de boom aan en ziet de zwarte sporen van zijn huid verduisteren. In eens voelt hij het van binnen, hij is een met de boom en de boom is een met hem. Het rare gevoel in zijn keel is plotseling verdwenen. Was het er eigenlijk wel geweest? Hij weet het niet. Hij kijkt weer naar het meisje. ‘Mijn naam is Kieren,’ fluistert hij terwijl zijn levenslust langzaam uitdooft.

Zijn ogen zijn gesloten. Zullen ze ooit weer opengaan? Hij weet het niet, maar wat weet hij nog wel? Hij voelt niks, maar kan hij eigenlijk wel iets voelen? ‘Jouw naam is Kieren, toch?,’ vraagt een zachte stem. Hij opent zijn ogen en kijkt opzij. Vaag herinnert hij zich het meisje dat voor hem zit. Is ze eigenlijk wel echt? Haar gezicht is niet meer besmeurd met het rode spul en hij ziet nu dat de kleur van haar ogen paars is. Hij gaat rechtop zitten en blijft in haar ogen staren. Ogen die van binnen lijken te barsten en van buiten stralen. ‘Wist je dat Kieren zwart betekent in het Iers?,’ vraagt ze met een zachte stem. Haar stem klinkt zo zuiver als zilver en hij vraagt zich af waarom ze zo zacht praat. Als je niet wist dat ze er was zouden haar woorden eerder als een zacht briesje gevoeld hebben. Waarom is ze hier? Hij zoekt de woorden om zinnen te vormen, maar vindt ze niet. Het is stil en geen van beide praat. Het meisje staat op en gaat naast hem zitten. Ze zwijgen en staren beide naar de grond. De grond waar wortels door heen lijken te stromen. Terwijl ze zitten op bedden die doorweeft zijn met bladeren en taken. Hij pakt een van de bladeren vast en rukt het van de tak af. Het zwarte blad verandert in een hoopje as en wordt meegenomen met de wind. Zijn naam betekent zwart, net zoals de bladeren en takken. Net zoals de wortels in de grond. Alles is zwart is het laatste wat hij denkt.

Hij vraagt zich af of er wel een einde is. Waarom is hij hier? Zijn herinneringen lijken met de wind te zijn meegegaan. Hij wil het zich herinneren. Hij probeert zich wanhopig aan het bekende vast te houden. Maar het lukt niet doordat zijn handen alleen naar de mist kunnen grijpen. Voordat hij het weet is zijn blik wazig geworden. Hij weet niet wat het spul in zijn ogen is en wil het meisje ernaar vragen, maar hij blijft in zijn nog niet uitgesproken woorden stikken. Het was hem nog niet eerder opgevallen, maar nu ze met haar rug naar hem toe staat ziet hij de zwarte, kleine takjes en bladeren uit haar hoofd groeien. Het past niet in het beeld dat hij van haar heeft. Als ze zich omdraait kan hij diezelfde takken en bladeren bij haar hart zien. De vraag die hij eerst had, wordt ingeruild voor een andere. Gaat er bij hem hetzelfde gebeuren? Het enige wat ze miste waren de zwarte wortels, of zal dat ook nog komen. Hij wendt zijn blik van haar af. Wat is er gebeurt en wat gaat er nog gebeuren? De drang om te weten wie hij is komt weer naar boven. De zwarte lijnen op zijn huid zijn voor hem onbekend net zoals het meisje voor hem. Zij weet zijn naam, maar hij niet die van haar. Zij heeft dezelfde zwarte lijnen als hij, maar het past niet bij haar en bij hem. Hij voelt iets over zijn wang glijden en proeft een zoute smaak in zijn mond. Terwijl hij op zijn knieën zit, kijkt hij naar de grond en ziet de voeten van het meisje. Maar hij kijkt niet op. Ze gaat op haar knieën en legt een hand op zijn schouder. Ze kijkt hem in zijn ogen aan die langzaam van groen naar zwart zijn gegaan. Zijn zwarte haren waren voor zijn ogen gaan hangen, maar die haalt ze uit zijn gezicht. ‘Kieren, we zijn dood,’ zegt ze zacht. Door in haar ogen te kijken voelt hij zijn hart minder snel kloppen, maar hij reageert niet en wil hij dat ook wel? Hij wil niet schreeuwen, huilen of ontkennen. Op een of andere manier vindt hij het fijn zoals het nu is, maar weet niet waarom. Hij staart door de mist van wolken heen en dit keer ziet hij wel de wereld die altijd onder zijn voeten heeft gelegen. ‘Wij zijn een met de boom-’. Hij hoort haar zachte stem langzaam die woorden vormen. ‘-en de boom is een met ons’. Hij maakte de zin af alsof het een deel van hem was geworden. Misschien is dat ook wel zo. Het meisje draait zich om en staart naar de zon die langzaam ondergaat. De zon die nu dichterbij lijkt dan ooit te voren. ‘’Féline. Mijn naam is Féline.’’