Categorieën
Fictie

Ontdooien doet pijn

Als vanzelf volgt mijn mond de zoete geur van melk op haar huid. Een reflex die mijn lippen om het puntje doet krullen en zuigen. Handen strelen mijn wangetjes, kietelen over mijn buik, tellen mijn teentjes en vingers. Ik was het vergeten. Wanneer werd ik voor het laatst aangeraakt en maakte het me rustig en ontspannen? Een tijd waarin het normaal was en niet pijnlijk. Nog steviger houdt ze mij vast. Steeds harder en harder. ‘Laat me gaan’ krijs ik uit. ‘Rustig maar, rustig maar. Ik zet het al zachter’ hoor ik een vrouw zeggen. De druk vermindert en ik zak terug tot het soezerige niveau. Dat half slaperige waarbij het denken op stand-by gaat en gevoel heel voorzichtig de overhand claimt. Hartslag rustig, ademhaling onder controle. Om mij heen hoor ik smakgeluidjes van anderen. ‘Drie, twee, één. Daar ben je weer.’ Als ik mijn ogen open doe, staat ze voor me. Witte jas en broek, witte klompen, geen mondkapje. Op de zaal klinkt het gesabbel van negen monden op speentjes en duimen. Volwassenen in de Cosy Chair. Een cocon van memory foam en borg. Het enige harde aan deze baarmoeder van zachtheid is de schaal dat als een tosti-ijzer meer of minder druk zet op het hoopje mens binnenin.

‘Bij vijftig Newton druk, steeg je hartslag naar honderdzestig en je bloeddruk naar tweehonderd.’ Vijftig Newton, dat is bijna niets. ‘Het schiet niet op’ zeg ik. Drie maanden therapie en ik zit op het niveau van een kabouteromhelzing. ‘Het is langzaam wennen aan aanrakingen. Vergelijk het met een bevroren tosti’ legt ze uit. ‘Als je lichaam verder ontdooit kan het ijzer meer dicht. Hoe gaat het knuffelen met de hond?’ Sinds twee maanden hebben wij Neesje in huis. Fluffy met flapoortjes en een imposante achtentwintig centimeter hoog. ‘Iets beter’ zeg ik. ‘Ik kan haar tien minuten op schoot hebben. ‘Heel goed’ haar vingers razen over de tablet. ‘Dat is drie minuten langer dan de vorige keer’. Heel goed? Ben ik terug op de kleuterschool? (‘Wat heb je je hond prachtig nagetekend.’ ‘Uh, juf. Het is een koe.’). ‘Laten we een stapje verder gaan’ zegt ze. Nee hè. Altijd weer dat verdergaan. Van naast zitten naar aaien naar op schoot. Fucking twaalf weken om een hond te kunnen verdragen. ‘Wat dacht je van drie keer per dag een omhelzing voor je man en kinderen? Een paar seconden is genoeg.’ ‘Nee’ wil ik zeggen.’ ‘Het is te vroeg, te snel.’ Het was echter een retorische vraag ingegeven door overheidsbeleid. ‘Probeer vooral te voelen in plaats van te denken.’ Hoe kan ik voelen als een dreigende zwarte stroom mij mee wil sleuren, steeds sneller en sneller de diepte in? Een kracht die in sterkte toeneemt naarmate ik verder kom in het programma. De nachten zijn het ergst, soms als ik echt niet kan slapen vlucht ik terug naar de schemerwereld van de laatste vijfendertig jaar. Ze kijkt me aan. ‘Stopte je met de Seroxat?’ ‘Ja’ antwoord ik zonder aarzelen. Overtreding kost duizend euro. Het hele land doet deze door de overheid verplichte therapie om de gevolgen van de ramp terug te draaien. Wie geld heeft doorloopt het programma thuis, met een eigen stoel en eigen hulpverlener. Het overgrote deel van de bevolking moet naar een openbare kliniek met kamers waarin tien, twintig, soms wel vijftig stoelen staan gepropt. Ieder land op de wereld zijn eigen werkwijze met één overeenkomst: social melting. Ze klapt de cocon open en geeft me haar blote hand bij het uitstappen. Als ik naar de deur loop zie ik haar de stoel vluchtig schoonmaken met één spraytje Glassex en een blaadje keukenrol. Bij de deur de dichtgeplakte handgelpaal waarop een bordje staat: mondkapjes verboden.

Met mijn linkerhand vis ik de autosleutels uit mijn rechterjaszak, open het portier, pak het flesje desinfectans uit de deur, klem het tussen mijn knieën en draai de dop los. Beetje spul op mijn handen, wrijven en wapperen maar. Pas nu kijk ik naar Neesje op de achterbank. ‘Ja, ja. Ik ben ook blij om jou te zien.’ Godzijdank zit ze vast aan het hondentuigje. Toen we haar pas hadden schoot ze standaard door naar de voorbank om tegen me op te springen. Ik gooi een hondenkoekje naar achteren en start de auto. ‘We gaan naar school’ zeg ik tegen het kauwende dier. Haar staartje verspreidt de bekwijlde kruimels over de hele achterbank.

Bij het schoolplein staan een heleboel ouders met hun viervoeter. Was het pas een jaar geleden dat huisdieren een gevaar voor onze gezondheid vormden? ‘Nee, Nees’ sis ik ‘hier blijven.’ Die rothond wil naar Cordoba, de bouvier van mijn buurvrouw. ‘Hiep hiep hoera, gefeliciteerd ❤🎁🍰🎈!’ appte ze me vanochtend vroeg. Achter het raam van de kleuterklas verschijnt mijn dochter met een feestmuts op net van dat blonde haar als ik op die leeftijd had. Naast haar mijn buurmeisje. Kinderhandjes zwaaien. Buuf en ik zwaaien, Cordoba rukt en sleurt buuf mijn intieme zone binnen. Op deze krappe meter van elkaar, moeten we elkaar wel aankijken. Tegelijk stoppen we onze vrije hand in onze jaszak. ‘Dankjewel 🤗 ’ appte ik drie uur geleden terug. Nu bijt ze op haar lip en zuig ik mijn wangen naar binnen. Mijn hand speelt met de telefoon in mijn zak. ‘Idioot dit hè 😕?’ wil ik typen. Maar hoe zeg je zoiets? Als volwassenen verleerden we het gesprekken voeren. Sinds ons vijfde groeiden we samen op in één van de vele weeshuizen in de stad. Ouders en vooral grootouders bleken zo kwetsbaar als Chinees porselein in een kindercrèche ondanks het toverwoord isolatie. Op ons zestiende waren we te besmettelijk voor anderen en waren we op onszelf aangewezen. Het wende, net als het tweewekelijks testen en de vele zelfdodingen. Tot een jaar geleden alles voorbij was, op die suïcides na dan.

‘Mooi weer, hè?’ zeg ik tegen buuf. ‘Nou’ zegt ze ‘lekker zonnig.’ Een exacte dialoog uit oefenboek één les twee. ‘Klingelingeling’ klinkt de bel en de kinderen stromen naar buiten. Rennen zigzaggend met boogjes van anderhalve meter om de leerkrachten en ouders heen naar hun vader of moeder. ‘Mam’ roept mijn dochter en werpt zich zonder aarzelen in mijn verplicht geopende armen, de crêpepapieren rozet kriebelt in mijn neus. Alle ouders doen hun huiswerk. Gevorderden knuffelen meer dan een minuut. Beginners geven een elleboogfive. Aanraken moet als je meer dan een kwartier van je kind gescheiden was. School, sport, buiten spelen, bedtijd. Twee agenten delen een boete van vijfhonderd euro uit aan een weigeraar. Ik trek mijn kind tegen me aan zoals ik bij Neesje zou doen en druk ietsje harder. Te stevig. Bijna moet ik overgeven van de pijn die door mijn stijve lichaam schiet. Vijf was ik toen mijn moeder mij mijn laatste knuffel gaf op het zonnige schoolplein. Het snelle kloppen van haar hart, de geur van zweet en Goria’s Vanderbilt vanille. ‘Probeer te voelen in plaats van te denken’ klinkt in mijn hoofd. De inktzwarte golf torent boven mij uit, hoger en hoger. Zwarte schuimkoppen kondigen mijn naderende ondergang aan. ‘Vashouden, blijven vasthouden’ beveel ik mezelf met mijn kind als reddingsboei. Dan dondert de zwarte massa over mij heen. Het dringt in mijn maag, mijn longen, mijn hart. Mama met hoge koorts vacuüm verpakt op de brancard. Bobby en ik ’s nachts alleen in huis met de dekens over ons hoofd. ’s Ochtends in mijn pyjama aan de deur, de nieuwe door mama gehaakte knuffel in mijn hand, duim in mijn mond, onmogelijk iets te zeggen tegen de twee vrouwen van het tehuis die mij kwamen halen. ‘Kom dametje, we moeten ook nog naar je buurmeisje’ zei het mondkapje met de lieve ogen. Vanaf de vensterbank sprong Bobby al keffend op en neer. Dat zouden ze later verhelpen, hoorde ik de ander zeggen.

‘Happy birthday to me and you’ zingt mijn dochter zachtjes in mijn oor. ‘In de wei staat een koe, en die koe zegt I love you.’ Ik voel haar armen, benen en hoofd. Het warme zachte lijfje kronkelt alsof ze in mij kruipt, verspreidt zonlicht over de zwarte stroom die langzaam turquoise kleurt als het gehaakte koebeest op mijn nachtkastje. Mijn tranen druppen op haar wangen waarop ze mij met grote ogen aankijkt. Dan legt ze haar handjes over mijn mond en neus. ‘Oh, je bent blij’ zegt ze en nestelt zich weer in mijn armen. ‘Brrrrt’ trilt mijn telefoon. ‘Het nieuwe normaal is nog lang niet gewoon, maar samen kunnen we het.’ Bladzijde 899 oefenboek zes les tien. ‘Xxx buuf.’