Categorieën
Fictie

Ontbinding

Ontbinding

In zijn ochtendjas draait Pepijn de verwarming hoog en wacht op de bank in stilte tot het warmer wordt. Zijn buik deint rustig op en neer, ondanks de knoop in zijn maag die hem een groot deel van de nacht wakker heeft gehouden.
De flauwe ochtendzon hult de kamer in een schemerig licht. Pepijn voelt de tocht langs hem trekken die door de kieren in het houtrot van de kozijnen het huis in komt. Rondom de salontafel staan de resten van gisteravond: een lege wijnfles – geen glas – een verfrommelde corsage en zijn nette zwarte schoenen.
Het water in de radiator suist naast zijn hoofd. Op de vensterbank dansen de bladeren van de begonia zachtjes op de warme luchtstroom, bijna vrolijk. De Friese staartklok aan de muur tikt langzaam de tijd weg. Met zijn vingers trommelt Pepijn aritmisch op de zitting van de bank.

Hij had een nachtmerrie. Getriggerd door de gebeurtenissen van gisteren wist een diep weggestopte herinnering uit Pepijns mentale kluis te ontsnappen, uit die naadloze kubus. Matzwart en aan elke zijde volledig vlak. De kluis reflecteert geen licht en geen geluid en het is niet te zien waar de opening is. Deze opslagplek opent alleen af en toe wanneer de waakhonden van het wakkere bewustzijn afwezig zijn: als Pepijn slaapt. Dan ontsnappen flarden van demonen die zich op een moordlustige tocht door zijn gedachten vlechten.
In de droom – in de herinnering – is Pepijn zeven jaar. Tijdens het buitenspelen vindt hij onder een struik een dode vlinder. Het is een dagpauwoog, de vleugels een kleurplaat die alle prijzen zou winnen. Ze zijn wijd uitgespreid en het lijkt alsof de vlinder elk moment weg kan vliegen, maar een paar keer prikken met een takje maakt duidelijk dat de vlinder dat niet meer gaat doen.
De twee vriendinnetjes met wie hij aan het spelen is willen kijken naar wat hij gevonden heeft, maar Pepijn jaagt ze weg. Niemand anders mag aan zijn vlinder zitten. Hij wil naar huis lopen, maar de meisjes blokkeren hem de weg en lachen hem uit met hun schelle stemmen. Pepijn rent weg. Achter hem verandert het geschreeuw van de meisjes in een oorverdovend geritsel. Hij kijkt omhoog. Vlinders groter dan hemzelf vliegen over hem heen. Hij ziet de lucht niet meer. Met grote hoektanden bijten ze in zijn richting. Hij struikelt over een tegel en de vlinders komen heel dichtbij, gaan op hem zitten. Het zware lijf van een van hen drukt zijn longen dicht. Pepijn slaat om zich heen, maar elke vlinder die hij raakt verandert in een wassen beeld van zijn vader dat met een doffe klap naast hem neervalt. Het geritsel dooft uit tot alle vlinders beelden zijn. Overal om Pepijn heen staren de nietszeggende ogen van zijn vader hem aan.

De lucht warmt op en Pepijn ontspant langzaam zijn spieren. In de rotzooi van zijn hoofd ontwart hij de droom van de herinnering. Hij had de vlinder onder de struik vandaan gehaald en thuis in een leeg sieradendoosje van zijn moeder gedaan, zo’n zwarte met rood nepfluweel aan de binnenkant. Bij het sluiten van het doosje had hij gefluisterd: ‘Dag.’ De dood in een doosje. Zo mooi, zo rustig en oneindig wreed.
Pepijn drukt zijn handpalmen tegen zijn zware oogleden. Hij probeert zich te herinneren waar hij het doosje met de vlinder gelaten heeft. Het moet inmiddels tientallen jaren geleden zijn dat hij het voor het laatst heeft gezien. Hij was het bestaan ervan eigenlijk al vergeten, terwijl die vlinder jarenlang zijn meest waardevolle bezit was.
Nadat hij de vlinder had gevonden, en lang daarna, pakte Pepijn elke avond het doosje op om de vlinder gedag te fluisteren. Hij bewaarde het op zijn nachtkastje. Op een broeierige zomeravond kwam zijn vader zijn kamer binnen. Hij was in een van zijn buien en Pepijn hield instinctief zijn adem in. Hij werd zenuwachtig van zijn onvoorspelbaarheid. Hij ging op de bedrand zitten, pakte rustig het doosje op en bekeek de vlinder uitvoerig. Na een paar lange minuten zette zijn vader het terug, keek Pepijn aan en zei: ‘Wat ben je toch ook een raar kind.’ Toen liep hij de kamer uit. De onverschillige toon waarop zijn vader het had gezegd bleef als een blok ijs achter.
Bang voor nog meer afwijzing stopte Pepijn het doosje met de vlinder meteen weg. Hij legde het in een schoenendoos waarin hij andere van zijn – minder indrukwekkende – gevonden spullen bewaarde. Een knalroze cadeaulint, een knikker met glitters op de gladde buitenkant. Een koperen muntje uit een ver en onbekend land.

Hij is misselijk en heeft honger tegelijk. In de keuken snijdt Pepijn met het scherpe kartelmes een plak brood af. De bewegingen gaan langzaam. Het brood is droog en valt in zijn mond uiteen in losse kruimels zonder een uitgesproken smaak. Uit de koelkast pakt hij de boter, die felgeel is geworden. Onder de bovenste laag is de kleur zachter, pastelachtig. Pepijn smeert een dikke laag op het brood en laat het door zijn keel wegglijden. Hij kauwt traag op de volgende happen.
Gisteren heeft Pepijn zijn laatste ouder begraven. In tegenstelling tot de vlinder, lag zijn vader niet met kleurrijke vleugels uitgespreid in zijn kist. Zijn gezicht was in nog norsere plooien gevouwen dan toen hij nog leefde, alsof hij naast de weerstand voor het leven ook weerstand voor het hiernamaals had. Pepijn had met een leeg gevoel de kist in gestaard. Vanbinnen schuurde op dat moment de inhoud van de zwarte kluis al tegen de randen van zijn bewustzijn. Trauma’s vochten met elkaar voor vergiffenis, ontbinding. Uiteindelijk bleek geen de sterkste en bleven ze stil, wachtend tot het donker werd.
Pepijn schuift het brood aan de kant en loopt naar boven. In de spiegel op de overloop kruist zijn blik met zichzelf. Zijn gezicht zit onder de rode vlekken. Hij kijkt snel weg. Hij zal zich weer gekrabd hebben vannacht.
Op de donkere zolder zoekt hij naar de spullen die hij, toen hij zijn eigen huis kocht, bij zijn ouders ophaalde. Zijn kinderkamer in een paar dozen. De spullen verloren vrijwel direct hun betekenis zonder het huis dat er omheen hoorde. Hij veegt het stof van de bovenste doos en opent het. Donald Duckjes en volgeschreven schriften. Hij zoekt verder en ziet dan de schoenendoos waarin hij al zijn memorabilia bewaarde. Onderin ligt het doosje met de vlinder tussen een glazen poezenbeeldje en een velletje wc-papier met een gedroogd klavertje drie. Wat ben je toch een raar kind, hoort hij de stem van zijn vader in zijn hoofd. De knoop in zijn maag wordt strakker.
De flets geworden kleuren van de dode vlinder steken duidelijk af tegen het rode nepfluweel. Pepijn bestudeert de herkenbare vormen van het beestje. Hij aait met zijn trillende vingers over het uitgedroogde lijfje en de zachte vleugels. Ze zijn zo breekbaar dat als hij er nu hard op zou drukken, ze gelijk kapot zouden gaan. Het zal vast een knisperend geluid maken, misschien zacht, maar toch wezenlijk hoorbaar. Een verleidelijke nieuwsgierigheid borrelt in Pepijn op.

In de woonkamer is het nu zo warm geworden dat het zweet hem direct uitbreekt. De radiator blaast een dikke, muffe geur de kamer in. Onder zijn polyester trui voelt Pepijn dat hij statisch wordt. Zijn armharen wrijven tegen de stof omhoog en de trui plakt verstikkend om zijn lichaam.
Onrustig zit Pepijn met het doosje op schoot op de bank. Hij kijkt een lange tijd naar de vlinder. Dan legt hij zijn middelvinger op het lijfje. Hij drukt heel zachtjes om te kijken of het meegeeft. Het grijze coconnetje voelt broos. Pepijn zet wat meer kracht en een voorzichtig gekraak is al te horen, voordat hij zonder aarzeling zijn vinger niet meer tegenhoudt en het uitgedroogde lijfje breekt. Het geluid scheurt de droge lucht doormidden. Hij grijnst en voelt de kapotte huid van zijn gezicht branden in de rimpels.
Daarna raakt Pepijn de vleugels aan en aait erover. Hij denkt kort aan zijn vader voordat hij het met de rest van zijn hand versnipperd. Ze breken in al hun vervaalde kleuren uiteen. Opgelucht ademt hij diep in en uit en onder de tocht van zijn neus waaien een paar vlindersnippers het doosje uit. In zijn oor hoort hij een schelle pieptoon.

Rond het middaguur vallen de zonnestralen gretig het huis binnen en vullen de woonkamer met fel licht. Pepijn glimlacht gedachteloos. Zijn lichaam zakt weg in de kussens en zijn ogen rusten op een punt buiten. Even is het helemaal stil. Dan staat hij op en schuift het raam een stuk open. Koude lucht. Hij steekt zijn arm naar buiten en draait het doosje resoluut om. De inhoud wordt meteen met de wind meegenomen.