Categorieën
Fictie

(On)eindige dromen

Ik verlaat het appartementencomplex en betreed de kille en droge open ruimte. De stad is gekleurd met het palet van de herfstavond. Het wordt weldra donker. Ik loop met hernieuwde energie en overtuiging; ik heb aan mijn lijden een hemels doel toegeschreven. Ik stel me een goddelijke parasiet voor, knagend aan mijn vlees en mij voorbereidend op een metamorfose, mijn hemelvaart. De maan kijkt neer op mij en de straat waar ik loop, welke oranje gekleurd is door de belichte buitengevel van de shoarmatent om de hoek genaamd ‘T Hoekje. (Ik zou dit niet verzinnen). In de verte, voorbij ‘T Hoekje: de mosterdgele bladeren van de treurwilg, verlicht door een eenzame straatlantaarn. De lucht is zo zachtjes dat de stofdeeltjes op hun plaats dartelen. Ik loop en het leven volgt. Ik slenter zoals een schepper zou slenteren. Ik creëer met hetzelfde gemak als waarmee ik uitadem. Mijn geest is een ondoordringbare bron van creatie. Eén zonder afleiding of twijfels. Als ik mezelf nu kon zien lopen zoals ik doe —mijn dynamische impressie nalatend, mijn wangen gespikkeld en door oranje gloed gekust—, misschien dat ook ik verliefd op mezelf zou kunnen worden…
Bij iedere stap groeit mijn geestdrift: die stem, die verrukkelijke stem… Al lijkt het er maar vaagjes op, dan is ‘t al goed, daar neem ik al genoegen mee, het is allemaal beter dan niks. Ik ben het niks doen en het niks zijn helemaal zat. Het wordt nog m’n dood. En het is zoveel hachelijker om doordrenkt in genot en verdoving te sterven. Je moet er alleen de middelen voor hebben. Of je moet jezelf het genot toe-eigenen. Het door mij gekozen alternatief.
Vanuit ‘T Hoekje klinkt het verveelde gekeuvel van Turken en het ruikt er naar kalfsvlees en olie. Een groep jongens met donkere jassen en zwarte baardjes staan voor de ingang te roken en kijken slechts eventjes naar me wanneer ik langs loop. Compleet onbewust zijn ze van de zielskracht die hen zojuist passeerde. Deze vorm van niet-erkenning versterkt enkel mijn intieme gevoelens jegens mezelf, evenals de magische perversiteiten die mij het duister in hebben geleid. God mag weten wat die Turken bezielen.
Verderop loop ik langs gesloten winkels en later de fontein vlakbij de rotonde die ze soms ‘s nachts belichten maar niet vandaag. Het is zo’n avond waarop het leven zich niet anders voordoet dan wat het is. In plaats van lopen, zweef ik. Ik zweef door de straten en langs toevallige voorbijgangers die hun hond uitlaten, drank inslaan, net van hun werk komen of aan hun avonddienst beginnen, langs de krimpende mensenmassa zo’n uur of twee na de spits. Mensen die plots aanzienlijk minder haast hebben. Ineens is de tijd niet iets om uit te zitten maar juist om te koesteren, om je aan vast te klampen, zo hard dat het nooit meer aan je kan ontsnappen. Het is het moment van de avond waarop de hoerenlopers beginnen na te denken over hun mogelijkheden en hun centen tellen. Het moment waarop de winkeliers hun kassa opmaken. Het moment dat jongelui hun dealers eens een berichtje sturen om te vragen of ze vanavond rondrijden en hoe lang dat dan zou duren. Het moment waarop de dames van de eerste hulp maar snel gaan eten want het zal gauw druk worden. Het moment waarop de meisjes hun benen scheren en de jongens over hun gladde benen beginnen te fantaseren. Het is het moment van de avond waar alle verplichtingen en dogma’s plaatsmaken voor stiekeme plannetjes en oneindig grote dromen. ‘T is het moment om in leven te zijn.
Zo ook zweef ik dus door de stad heen. Door de straten die steeds smaller worden. Langs vrouwen en meisjes en mannen en honden. Langs het afval van de dag dat zich in alle hoeken en gaten op straat genesteld heeft en voor ieder portiek ligt uitgespreid. Langs gezellig wordende stamkroegen vol arbeiders en bierpensen en slechte tatoeages en bolle oude vrouwenwangen en kalende kruinen. Langs roodgekleurde steegjes vol eenzaamheid. Langs ritsen van Marokkaanse en Algerijnse taxichauffeurs die meer roken dan dat zij klanten vervoeren. Langs een groep leuke tieners die met z’n allen zo traag als het maar kan de hele weg in beslag nemen met hun fietsen en hun luidruchtige onzekerheden. De nacht is jong en vol beloften. Loze beloften. We stoppen pas in ze te geloven wanneer de ochtendschemering ons van het onomkeerbare tegenbewijs heeft voorzien. En de volgende avond is het weer raak. Dan pleuren we het vonnis zo de prullenbak in. Dan verschijnen wederom alle geschminkte pruillippen, alle vlezige glimlachen en de met goedkope parfum ondergespoten rokjes. De avond verzacht alle pijn. De avond brengt alle gepijnigden bij elkaar. Ze vertroosten elkaar met de goedkeuring en erkenning van al hun gedeelde gebrekkigheden. Het zijn fijne feestjes die nooit zouden mogen eindigen.
In het grote park vlakbij de paleistuinen naast het stadscentrum vind ik een onbezet bankje. Ik steek een sigaret op, kijk toe hoe de rook dansend mijn lippen verlaat, mijn zicht eventjes vertroebelt, en tot slot een groep stadsmeisjes openbaart. Wedergeboorte en benzeen. Hun stemmen weerkaatsen tussen de bomen en de bankjes rondom het plasje waar een stel gasten rondhangen met opgevoerde scooters. Het geluid dat de meisjes produceren bereikt sporadisch oorverdovende pieken in de vorm van schatergelach en piepende inhalaties. Het gaat niet eens als schelle kopie van de boterzachte stem die mij hier naartoe heeft geleid door. Ik weet ook wel dat die stem al lang weg is. Zo gaat dat met mooie dingen. Vooral met mooie vrouwen. Je ziet ze eenmaal en nooit weer. In welk paradijs ze zich verhullen en waarom ze die plek ooit verlaten hebben blijft voor altijd een mysterieus geheim. In welke cult bezitten ze de esoterische kennis met betrekking tot de locatie van dat vrouwenparadijs? Het zal voor gemiddelde ziekelingen als ik voor eeuwig een raadsel blijven. Daar moet je je gewoon bij neerleggen. Hetzelfde geldt voor vruchteloze zinsbegoochelingen over het eeuwige leven, of over rijkdom, of over een met gouden ornamenten versierde en met spreuken gegraveerde lijkkist waarmee je jezelf in het hiernamaals van een ivoren toren kunt voorzien. Het zijn allemaal leuke ideetjes. Meer ook niet. Onbereikbare dromen blijven voor altijd dromen. Volgens sommigen is ‘t ons meest kostbare bezit. Ons ultieme wapen tegen lusteloosheid. Maar dromen zijn niet voor eventjes. Nachtmerries wel. Die zijn ook zoveel makkelijker te begrijpen en zoveel fijner om vanuit te ontwaken. Een hoopvolle droom daarentegen, zo’n illusie die zacht is als nertsenvacht, zo verslavend zacht als vrouwendijen;— zulke zaken zijn veel lastiger te verwerken. Een goede droom laat je niet meer los. Het biedt de mens misschien wat hoop maar het brengt ‘m eveneens tot een permanente staat van verwarring. En in die gedeelde verwarring kun je elkaar van alles wijsmaken zo lang je het maar overtuigend genoeg weet te brengen. De geschiedenis van de mensheid kan worden samengevat als een onophoudelijke zoektocht naar de betekenis van haar eigen bestaan en de consequente wreedheid waarmee zij de ander van haar eigen gelijk tracht te overtuigen. En vooral zichzelf. Zo zit ik er nu ook bij. Na een onbepaalde tijd en een onbepaald aantal sigaretten geef ik mij aan de realiteit van de situatie over. Mijn vorm van verzet. Mijn zoektocht is gefaald en ik wist bij voorbaat al dat dit zou gebeuren.
Op de terugweg ziet alles er een stuk minder kleurrijk en hoopvol uit. Het vuil op straat is inmiddels her en der met lachgaspatronen en scherven van kapot gegooide bierflessen gegarneerd. Het is minder druk dan eerst maar de overgeblevenen compenseren hiervoor door aanzienlijk luidruchtiger te zijn. De ene stem doorbreekt de echo van de andere. Gewelddadige melodieën. Het schore symfonie galmt door in de straten achter mij waarna het een straat of twee verder verdwijnt, opgeslokt in het aanhoudende geluid van auto’s, bussen, metro’s, sirenes, spoelkeukens, vogels en wanhoop. De kenmerkende geluiden van de stad. Het betonnen wezen dat altijd in beweging is. Nooit kalm en gestaag als de borstkas tijdens het slapen, maar juist onvoorspelbaar en fel, spastisch als de natuur zelf. De ogen van de stad hebben dezelfde wijde pupillen als een jachtluipaard of heroïnejunk in het diepste van de nacht. Geen schoonheid. Enkel nog convulsies. De stad doet op dit tijdstip niet eens meer alsof. Het wangedrocht heeft zich al lang volgevreten, leunt voldaan naar achteren en laat z’n buikvet en hangtepels heerlijk luchten in de verfrissende avondbries.
Wanneer de bij voorbaat vergeefse hoop op het verwezenlijken van een droom je genoeg van jezelf heeft laten walgen, dan zul je op het laatst enkel en alleen nog wensen dat je er nooit meer mee geconfronteerd hoeft te worden. Er zover mogelijk van uit de buurt blijven. Maar dat is voor later. Voor nu voel ik me wel ontspannen. Voor nu is mijn wandeltocht naar huis een op zichzelf staand, simpel doel geworden. Een klein, prettig en makkelijk haalbaar doel waar ik verder niet over na hoef te denken. Het mag wel, maar het hoeft niet.

Illustratie: Nelly Kleijer