Categorieën
Fictie

Olifantenhuid

Het voelde alsof iemand haar ingewanden stond uit te wringen! De kramp was niet te houden. Ze had zich opgekruld en Konijn stevig tegen zich aangedrukt waardoor die wel hetzelfde moest voelen. Arm konijn. Opgerold in haar deken had ze het te heet gekregen en was ze naar een kouder deel van haar bed gekropen, maar zelfs dat had haar niet geholpen om in slaap te komen. Ze had geen oog dichtgedaan. Natuurlijk ging je niet iedere dag op schoolreis, maar als je daar zoveel buikpijn van kreeg was het bijna niet leuk meer en dat terwijl ze er juist zo naar had uitgekeken.
Als ze op muizenpootjes langs de slaapkamerdeur van haar vader dribbelt vliegt de stank van verschraalt bier en verbrande shag haar naar de keel. Sinds het vertrek van haar moeder had die geur zich hier gevestigd en was als een opdringerige gast blijven hangen. Ze neemt de smalle trap naar beneden en let goed op dat ze niet achter de losse draden van de versleten loper blijft hangen. Nog geen jaar geleden was ze namelijk bijna helemaal van boven naar beneden gevallen. Haar vader was wel even wakker geworden en had geroepen ‘of er soms een olifant naar beneden was gedonderd’. Gelukkig bleef hij liggen en hoorde ze hem snel daarna weer snurken. Haar heup deed wel even pijn, maar na een tijdje kon ze wel weer opstaan. Sinds het vertrek van haar moeder zorgde ze zelf dat ze op school kwam.
Ze kijkt heel erg uit naar het jonge olifantje. Ze had op televisie iets over zijn geboorte gezien en hoopt maar dat hij nog steeds zo schattig is. In de brief stond dat ze brood mee moest nemen, maar daar moet ze nu niet aan denken. Ze opent de koelkast en neemt een slok sinas, trekt haar jas aan en loopt het kleine betonnen achtertuintje in. Daar pakt ze haar fiets die ze stotend door de schuttingdeur wurmt. In het smalle gangpad dat tussen de twee rijen schuttingen ligt, stapt ze op en probeert ze, krampachtig naar evenwicht zoekend, het zwaar trappende barrel vooruit te krijgen. Gelukkig was haar vader blijven slapen, anders had ze weer helemaal opnieuw moeten vertellen dat ze vandaag naar de dierentuin ging in plaats van naar school en had ze op zijn vraag; ‘wie dat dan betalen moest?’ weer helemaal opnieuw moeten uitleggen dat hij het haar al beloofd had.
Het is een drukte van belang bij de bus. Zelfs de jongens, die hadden gezegd dat ze de dierentuin een super suf uitje vonden, zijn uitgelaten en lijken het toch best wel spannend te vinden. Haar ogen gaan rond of ze haar beste vriendin kan vinden, want ze hadden met elkaar afgesproken om tijdens de reis naast elkaar te gaan zitten. Het duurt wel even voordat ze haar in de voortdurend bewegende kluwen heeft gevonden, maar zodra dat het geval is gaan ze in de rij staan. Eenmaal aan de beurt worden hun namen gecontroleerd, maar dan blijkt die van haar niet op de lijst te staan. Het is alsof ze een klap in haar buik krijgt en snakkend naar adem vraagt ze: “Hoe kan dat nou?”. “Wij hebben geen geld van jouw vader ontvangen.” “Maar hij had het beloofd!” Tranen schieten in haar ogen en meteen begint ze hartgrondig en met diepe halen te huilen. Ze had er zo naar uitgekeken om het olifantje te zien. De juf kan het niet aanzien en zegt: “Nou vooruit dan, ga maar zitten, maar het is wel altijd wat met jou.”
Vandaag moet een mooie dag worden en niemand zal dat tegenhouden. Gelukkig zijn de tranen snel weer over en spelen ze ‘ik zie ik zie, wat jij niet ziet’.
Ze is nooit eerder in deze dierentuin geweest. Sterker nog, ze is nog nooit in welke dierentuin dan ook geweest. Ze kent de dieren alleen maar van televisie en heeft ze nog nooit in het echt gezien. Omdat de meeste kinderen eerst naar de leeuwen willen, beginnen ze daar, maar ze blijven er naar haar idee veel te lang hangen en als ze dan eindelijk verder lopen komen ze bij de zeehonden die net op het punt staan om aan een nieuwe show te beginnen. Ze wordt zenuwachtig en krijgt het benauwd omdat ze bang is dat ze het olifantje niet meer zal zien. Ze wordt misselijk en de pijn in haar buik, die even naar de achtergrond was verdwenen, neemt weer in alle hevigheid toe. Zo erg zelfs dat ze draaierig wordt, omvalt en hard met haar wang op het grindpad terechtkomt. De kiezels vreten zich in haar huid.
“Dus jij wilt naar de dierentuin? Weet jij wel hoeveel geld dat kost?” Ze pakt het papier en laat haar vader het bedrag zien dat op de brief vermeld staat. “Ach weet je, waarom ook niet. Kom eens hier, olifantje van me.” Eigenlijk haatte ze het wanneer hij haar zo noemde, het maakte dat ze zich dik voelde, daar stond echter tegenover dat hij, steeds wanneer hij dat woord gebruikte, lief voor haar was. “Waar had jij je nou ook alweer pijn gedaan, toen je van de trap af sodemieterde?” “Hier” en gedwee gaat ze op zijn schoot zitten.
Als ze weer bijkomt ligt er iets zachts onder haar hoofd, maar het grind van het pad prikt haar nu in de rug. Zodra ze haar ogen opent en omhoogkijkt ziet ze dat er mensen om haar heen staan die op haar neerkijken. Dat er iets met haar aan de hand is, heeft ze zelf ook wel in de gaten. Haar buik voelt hard en lijkt een steen te huizen. Dan draait ze haar hoofd opzij en ziet ze tussen de benen van de omstanders door ineens de groep olifanten staan. Met ogen waarin altijd tranen lijken te staan kijken ze naar haar. Zacht schommelend moedigen ze haar aan. Maar waar is het babyolifantje? Ze ziet hem nergens. Dat waar ze dagen naar had uitgekeken was er niet bij. Bovendien kan ze vanuit haar perspectief de olifanten niet eens goed zien, vanuit haar oogpunt lijkt het of ze slordig op elkaar zijn gestapeld. Een traan verlaat haar ooghoek, maar ze besluit meteen om dan maar een andere keer voor het olifantje terug te komen. En dan, vlak voordat ze haar hoofd weer af wil wenden, komt plotseling achter de poten van de moeder het kleine olifantje tevoorschijn. Het heft zijn slurf als een gebalde vuist in de lucht en lijkt te lachen. Het maakt dat ze tussen haar tranen door een onbeheersbare lachbui voelt opkomen die zich omzet in een duizelingwekkende kracht. Ze draait haar hoofd terug, tilt het een klein stukje op om tussen haar benen, die ze om de een of andere reden heeft opgetrokken, door te kunnen kijken. Er lijkt zich daar van alles af te spelen en het voelt alsof ze schaamteloos blootligt. Op dat moment steekt een vrouw in een geelgroen jasje met reflecterende strepen haar hoofd omhoog, kijkt haar bemoedigend aan en vraagt: “Hoe heet je?” Hoewel de pijn in haar buik het vrijwel onmogelijk maakt om te antwoorden, roept ze: “Shanise” “Hoe oud ben je, lieverd?” “Twaalf.” “Goed zo meisje, nog even volhouden, ik zie het hoofdje al.”