Categorieën
Fictie

Oefening in mystiek

“Het ik, het zijn en het alles,” de antropoloog had doordringend in de ogen van de toeschouwers gekeken toen hij het vertelde. “Het ik laten verdwijnen, het zelf laten samenvallen met het alles. Dat is mystiek.”

Nu sta ik hier, met mijn voeten in de aarde. Ik voel pissebedden over mijn tenen kruipen. De kleine schaaldieren laten zich niet afschrikken door mijn naakte mensenvoeten. Potato bug is hoe de Engelsen hen noemen. Kan mijn zelf samenvallen met een aardappelinsect?

“Mystiek draait rond versterven. Laten afsterven wat je niet meer nodig hebt.”

Met mijn ogen gesloten vraag ik me af wat ik zal laten versterven. Een pink? Er zijn amper talen die de kleinste vinger een aparte naam toegeschreven hebben. De etymoloog in mij knikt instemmend.

“Mystici worden één met de omgeving, gaan op in de ander. Zoals Hadewijch die zich door Jezus liet omarmen en bevend met hem samenviel.”

Ik denk aan Jezus. De Westerse variant. Zijn lange haren en volle baard, het kruis en de doornenkroon, zijn bezwete lichaam en lendendoek. Het beven volgt niet, Jezus doet het niet voor mij.

“Echte devotie kan niet destructief zijn.”

Ik haal mijn voeten uit de aarde en wrijf ze schoon. Stap opnieuw in mijn sneakers, en wandel naar de dikste boom die ik zie. Mijn zakmes krast een grote L in de stam. Met destructieve kracht wurm ik me onder de bast van de boom en voor heel even zijn we één.