Categorieën
Fictie

Nu jij

“Hier was je bij,” denk ik.
Ik zie haar schrikken.

Het meisje staat aan de rand van het schoolplein, vlak bij de meesters en juffen die toezicht moeten houden. Ze staart naar de grond want zien is gezien worden. Ze wil er niet zijn en daar is ze eindelijk in geslaagd. Niemand ziet haar. Een meester lacht om zijn eigen verhaal en een juf kijkt vluchtig rond om te zien of alles rustig is. Er klinkt enthousiast geroep bij een tikspel. Er wordt gewisseld bij het elastieken.
Het meisje staat met de rug tegen de muur, haar twee staartjes hangen naar beneden, scheef van het trekken. Haar bril zakt o zo langzaam naar beneden, maar ze durft hem niet omhoog te duwen. Elke beweging valt op en ze is er niet. Ze heeft nog even de tijd, zo snel valt de bril niet op de grond. Behalve die keer dat ze een duw in de rug kreeg en de bril op de tegels ketste. Scherven brengen geen geluk, haar vader was kwaad en zei dat ze voortaan haar bril moest afdoen bij gymnastiek. Maar dat durft ze niet, dan kan ze haar kwelgeest niet in de gaten houden.
Die duw overkomt haar niet meer, haar rug is veilig, stenen dekking van achteren.

Katie loopt naar haar toe, maar ze ziet het pas als ze vlak voor haar staat.
“Je kan meedoen met elastieken,” zegt ze. Het meisje kijkt op en zoekt in de ogen van de ander naar het addertje onder het gras. Meedoen wil ze wel, ook als ze enkel moet staan met het elastiek om haar benen terwijl de anderen ingewikkelde figuren springen en uiteindelijk in de knoop raken en zich lachend ontworstelen. Het is meedoen. Meedoen is het toverwoord dat de zon kan laten schijnen.
“Oké,” zegt ze. Haar stem klinkt onwennig in haar eigen oren.
Katie kijkt triomfantelijk en geeft haar ineens een vinnige schop tegen haar enkel.
“Jij gelooft ook alles, stom kind!”
De pijn trekt door haar enkel naar boven maar ze geeft geen kik. Ook niet als ergens op het schoolplein meisjes beginnen te lachen. Om haar? Omdat ze zo dom was hoop te koesteren? Weer breekt er een stukje af van haar hart, terwijl de koude werkelijkheid een dikkere laag om haar gevoel vriest.

Het beeld bevriest nu ook. Ik zet de meisjes stil in de tijd, het pesterige leedvermaak is te zien in Katie haar ogen, de pijn in die van het slachtoffer. Daar staan ze, en daar staan ze allang niet meer. Al is de ijslaag gebleven.
Niemand ziet hen behalve de juf in wier hoofd ik de herinnering geplant heb.

“Dit was jij! Steeds weer. Soms was het een week rustig, dan weer twee keer op een dag.”
Alle pijn uit het meisje stop ik in de juf. Ik duw het er zo hard in dat de juf even wankelt. Ze is pijnlijk getroffen, ze staart naar de twee meisjes en wil hen uit haar herinnering bannen, maar ik houd het beeld vast. Ik ben sterker.
Ergens moet een geweten zitten, ik moet haar schuldgevoel bereiken, ze zal lijden zoals ik deed.
“Je hebt iemand kapot gemaakt,” denk ik.
Vanuit mijn auto, die voor het schoolplein staat, zie ik hoe de juf naar de twee meisjes loopt, dwars door hen heengaat, en een fel doch machteloos gebaar maakt met haar hand om de herinnering weg te jagen. Dan steunt ze even tegen diezelfde muur die mij vroeger veiligheid bood.

Ik kijk in de autospiegel en zie het leedvermaak in mijn eigen ogen.
Zal de ijslaag dan nu eindelijk smelten?