Categorieën
Fictie

November

“Oma, wil je een kopje thee?” riep Roos vanuit de keuken. Roos keek op vanaf het gasfornuis toen er geen reactie kwam. Haar oma zat te staren door het raam in de voorkamer. Ze had haar breiwerk op haar schoot liggen. Waar ze normaal gesproken uren kon breien en kletsen tegelijk, lag haar breiwerk al een uur doelloos op schoot. ‘Waar zit ze toch met haar gedachten?’ Roos pakte het dienblad en de oude theepot en zocht in de kastjes naar de gebloemde theekopjes.

Roos ging graag op bezoek bij haar oma. De kleine keuken, de kleurrijke gladiolen uit de tuin, de geur van zelfgebakken brood; alles ademde een sfeer in van warmte en genegenheid. Hier kon ze altijd terecht met haar verhalen. Ook al was ze oud; zonder al te veel te vragen, leek haar oma altijd wel de dingen te begrijpen. Dan kon ze je aankijken met die warme bruine ogen. Behalve in november. Elk jaar weer. Zodra die regenachtige grijze dagen begonnen in de herfst, kon ze zo in zichzelf gekeerd zijn. Dan luisterde ze wel, maar kon ze je aankijken met een blik waarin een peilloze diepte lag.

Liefdevol legde ze een hand op de schouder van haar oma. “Waar denk je aan, oma? Zit het sombere weer je dwars?” Verschrikt kijkt oma op. “Ach, het is niets lieverd. Wat geesten uit het verleden.” Ze legt haar breiwerk aan de kant en kijkt haar kleindochter aan. “Vertel eens, hoe gaat het met jou en Mark?”

Met een diepe zucht gaat Roos zitten. “Ach, ik weet niet goed wat te doen.” Ze friemelt een beetje aan een draadje van het tafelkleed. “Ik zou graag naar het buitenland willen voor mijn werk. Hoewel; een half jaar is best lang. Ik weet niet goed of ik wel durf en of ik wel assertief genoeg ben. Ik ben dol op Engeland en tegelijk vraag ik me af hoe het zal zijn als ik weer thuis kom. Misschien heb ik wel vreselijk heimwee of ben ik heel erg veranderd als ik terug ben.” Met haar armen gekruist voor haar kijkt ze op. Alsof ze zichzelf wil beschermen tegen de wereld. Met een diepe basstem aapt ze haar vader na. “Je bent nog jong, de wereld ligt aan je voeten. Trek erop uit! Nee, papa heeft er geen enkele moeite mee, maar Mark kan ik niet goed peilen.”

Joke kijkt haar kleindochter aan. “Meiske, als ouder doe je wat je denkt dat goed is. Je vader was mijn enige kind. Ik vrees dat ik hem heel erg beschermd heb; bang als ik was om hem kwijt te raken. Ik begrijp zijn voorkeur voor ruimte en vrijheid wel.” Joke schenkt een kopje thee in en gaat verder. “Er is moed voor nodig om in het diepe te springen. En geloof me, soms is er nog veel meer moed nodig om weer thuis te komen. En toch; zou je dat moeten weerhouden?”

Stil pakt Roos haar thee en verwarmt haar handen aan het kopje. Ze had de verhalen wel gehoord. De vele ruzies die haar vader vroeger had met oma. Hoe vreselijk benauwend en beklemmend hij het vroeger thuis had gevonden. Desalniettemin was het beeld dat Roos had van oma zo anders. Ze had zich er altijd over verwonderd.

Joke pakt een suikerklontje en roert in haar thee. “Ik was 15 toen ik het huis uit ging. In de kost in het huis van de dokter als hulp in de huishouding. Zo jong was heel normaal in die tijd. Het enige wat ik mee had, was een kleine koffer met kleding. Ik had niet meer dan twee onderbroeken!” Met twinkelende ogen gaat ze verder. “Heel simpel, eentje had je aan en de andere waste je ’s avonds in de wasbak en hing je te drogen. Dan had je de volgende ochtend een schone onderbroek.” Roos grinnikt om het idee. “Het is vreemd hoe ons verlangen soms werkt. Als je thuis bent, droom je van nieuwe dingen en als je weg bent, denk je aan thuis. Er is maar één manier om te weten wat het met jou doet en dat is gewoon gaan. En wat Mark betreft: als hij de man van je hart is, dan wacht hij wel. Hij zal je accepteren met alle ervaringen die je meeneemt”. Liefdevol kijkt ze in haar kopje. “Je opa deed dat in ieder geval wel”.

Na een uurtje gaat Roos weer naar huis. Joke pakt haar breiwerk en schenkt nog een kopje thee in. Ze kijkt naar buiten. De regen is langzaam overgegaan in een gestage miezerbui. Na vele jaren ervaring, breien haar handen moeiteloos verder zonder dat ze hoeft te zien wat ze doet. ‘Wat zou er van hem geworden zijn?’ Terwijl ze verder breit, gaan haar gedachten langzaam terug naar toen. Na zoveel jaren zijn de scherpe randjes van de pijn eraf, echter vergeten zal ze het nooit. ‘Hoe zou hij over haar denken?’

Ja, ze had geleerd zelfstandig te worden daar in de kost. Joke wist dat het slechts een deel van het verhaal was. Er was ook nog dat andere deel; die donkere kant die ze met niemand kon delen. En de rest van haar leven ook niet zou doen. Teveel pijn. Het waren andere tijden toen; heel anders dan nu. De keurslijf van een dorp die zich alleen afvroeg wat de buren zouden denken. De strengheid van haar moeder staat diep in haar ziel gegrift; juist daar waar ze gehoopt had op steun en begrip. De stilte en diepe eenzaamheid van het klooster die erop volgde. Het afscheid in november in die kletterende regen. Er was in haar leven één persoon die haar geheim kende en die, ondanks alles, altijd in haar kracht had geloofd. Maar haar man leefde niet meer.

Roos fietst gehaast naar huis voordat de bui losbarst. ‘Dag oma, het gaat goed hier!’ Het is alweer twee jaar geleden dat haar oma is overleden, desondanks zegt ze in gedachten haar oma nog steeds even gedag als ze door de Boslaan fietst. Roos woonde inmiddels samen met Mark. Vandaag ging hij met vrienden op stap. Ze was al een tijdje niet bij haar vader op bezoek geweest en vanavond zou ze voor hem gaan koken. Snel zet ze haar fiets in de garage en stuitert binnen. “He pa, ik ben het!” In plaats van een antwoord zit haar vader en een onbekende man haar aan te staren vanaf de keukentafel.

Langzaam staat haar vader op; bijna bedeesd. ‘Wat is dit? Wie is die man? Waarom is haar vader zo stil?’ Normaal gesproken zou ze al talloze vragen hebben gekregen; zo kent ze haar vader niet. “Dag Roos, je kan er beter even bij zitten.“ Haar vader schuift een extra stoel aan tafel voor haar. “Eh, ik weet gewoon niet waar te beginnen. Hoe ik dit moet uitleggen. Zou jij …” komt er schor uit terwijl hij naar de vreemde man kijkt. Een traan welt langzaam op uit zijn ogen. Snel gaat Roos naast hem zitten en legt een arm om hem heen.

“Dag Roos. Sorry dat ik jullie zo overval. Je kent met niet en ik weet ook niet of dat na vandaag nog wel zal gebeuren.” De vreemde man kijkt haar met bruine ogen aan. Ze kent hem ergens van, hoewel ze zich niet kan herinneren waarvan. Terwijl ze diep in haar geheugen graaft, gaat de man verder. “Ik heb zo vreselijk lang gezocht. Ik ben Thomas. En als mijn informatie klopt ben ik hier 50 jaar geleden geboren. November 1939. Ik ben je oom”.
Verbouwereerd kijkt Roos van hem naar haar vader en weer terug. ‘November 1939?’ Haar hersenen werken op volle toeren. Langzaam vallen de puzzelstukjes op zijn plaats. De somberheid van haar oma in november. Haar diepe verdriet in haar ogen als ze haar fotoboeken doorbladerde. Thomas praat verder. Ze ziet zijn mond bewegen, niettemin dringt het amper door. Ze hoort flarden als ‘adoptie’, ‘klooster’, ‘verkrachting’ doch de context gaat totaal langs haar heen. Het enige wat ze registreert zijn de ogen van haar vader en Thomas. De gelijkenis spreekt boekdelen. Hij heeft diezelfde warme bruine ogen.

Langzaam komt ze een beetje bij zinnen. Ze kijkt haar vader aan. De tranen biggelen over zijn wangen. “Al die tijd?” vraagt ze zacht. “Ja lieverd, al die tijd droeg ze dit met zich mee. Al die tijd had ik een broer.”