Categorieën
Fictie

Niets meer te kolven

Vanuit haar ooghoek ziet Mirjam aan het einde van de gang een schim van een vrouw, voor een glazen deur naar die uitkijkt naar een binnentuin. Mirjam loopt erop maar blijft plots op enkele passen staan.
Er staat iemand staat naar buiten te kijken, de schouders deinen lichtjes mee op een zacht neuriënd wijsje.
Mirjam herkent het als een wiegenliedje, ze trekt haar wenkbrauwen omhoog. Is zij het?
Dan draait zij draait zich om, haar gerimpeld gezicht en ingevallen wangen worden zichtbaar. Haar lange grijze haren hangen verward over haar schouders. Onder haar arm heeft ze een pop die ze krampachtig vasthoudt.
Mirjam komt naderbij, haar lip trilt.
Zij kijkt Mirjam met doffe ogen aan. ‘Wie bent u?’ De stem komt diep vanuit haar keel omhoog. ‘Bent u de dokter?’ Zij friemelt even met haar vrije hand aan het kettinkje om haar hals, waar een k
ruisje aan hangt.
Mirjam wil iets zeggen, maar de woorden willen niet komen.
‘Mijn kindje is ziek.’ Zij wiegt haar pop zachtjes heen en weer. ’U moet haar beter maken dokter.’ Zij drukt het dichter tegen haar borst. ’Dan blijft ze bij mij.’ Zij aait er met haar hand over, haar relikwie. Zij trekt van onder haar arm de pop omhoog, een vuil bol kopje wordt zichtbaar.
Mirjam herkent haar oude pop, met op haar voorhoofd een streep die nog vaag zichtbaar is. Zoals dat litteken op haar eigen hoofd. Mirjams ogen worden vochtig, haar schouders zakken omlaag met een zucht. ‘Mam, ik ben het, Mirjam. Mirjam. Weet je het weer?’ Ze spreekt het nu wat harder uit. ‘Hier zijn wat rozen, waar je altijd van houdt.’ Ze houdt de bos bloemen omhoog.