Categorieën
Fictie

Negenendertig

“Denk je dat we elkaar op een dag zat zullen zijn?”, vroeg hij.
“Ik weet dat dat jou nooit zal overkomen”, antwoordde zij.
“Dat kun je niet weten.”
“Jawel.”

Ze zaten met zijn tweetjes aan tafel, zij en Wilhelm. Het moest eind augustus zijn; de temperatuur was te hoog voor de herfst en het fruit te rijp voor een vroege zomer. Hij pakte de karaf limonade waaromheen wespen zwermend dansten. Recht boven zijn hoofd hing één van de talrijke sinaasappels die groeiden aan de boom achter zijn rug. De bladeren wierpen schaduwvlekjes op zijn gezicht, waartussen zonlicht kleine spikkels huid verwarmde.

“Ik denk dat de buurman een wespennest heeft”, zei ze.

Hij knikte traag en joeg de wesp weg met zijn stem, alsof hij een kat of ander zoogdier verdreef. Zij was altijd bang voor wespen geweest, hij altijd voor de dood.

Wilhelm pakte het boek op met een voor hem zo typerende handbeweging: trefzeker maar zacht. ‘Fluwelig’ had ze zijn gebaren ooit genoemd, in een verleden dat door een oprukkende mist steeds verder aan het zicht onttrokken werd.

Hij sloeg boek open met gestrekte vingers en begon voor te lezen. Zo af en toe keek hij over de rand naar haar. Er liepen druppels zweet van zijn voorhoofd. Wilhelm zweette altijd snel. Bij een zin bleef hij steken, liet het volgende woord als aan een draadje aan de andere kant van de afgrond bungelen.

“Ik weet niet wat dit zijn.”
Eva boog zijn richting op. “Wat?”
“Patacones.”
“Gefrituurde bakbanaan. Is heel lekker.”
“Die moet je dan maar eens voor me maken”, zei hij.

In gedachten voelde Eva de plakkerige bananen in haar handen. De bloem, die haar huid altijd zo droog maakte. En Wilhelm, die haar tijdens het koken een glas ijskoude witte wijn of kusjes kwam brengen.

“Wie had dat drie maanden terug kunnen bedenken”, zei Wilhelm na een lange stilte, “wij, nu, hier, samen?”
“Tja. Wie?” Eva nam een slok van de limonade en keek opzij, deed alsof ze daar zojuist iets had gezien wat haar aandacht had getrokken, al was daar nu niets anders te zien dan het grasveld, de bomen en het roestige hek aan het eind van het terrein. Dat deed ze altijd als ze opkomende tranen probeerde te stoppen en verbergen tegelijkertijd.

Het had niet uitgemaakt. Hij keek langs haar heen, naar iets dat niet bestond voor haar maar wel voor hem. Dat deed hij steeds vaker. Achter hem zag Eva een dame in witte jas en broek over het pad lopen. Ze duwde een rolstoel voort met daarin een vrouw met witgrijze haren die waren opgestoken op een manier die Eva nooit onder de knie had gekregen.
Eva’s haren waren ook niet witgrijs, maar grijsbruin, de kleur van half verkoold hout, vond ze zelf.

*

Negenendertig. Zoveel jaar was het geleden dat ze hem had ontmoet. De dag erna had ze een nachtmerrie gehad. Ze droomde dat ze op een feest was. Telkens als ze een verhaal afstak, liep iedereen weg. Toen ze wakker werd, had ze vijf minuten lang gehuild met grote, diepe halen.

De volgende ochtend, tijdens het koffie zetten wist ze: hoe graag ze ook alleen was, de angst om verlaten te worden was groter. En deze man was in staat die al zo lang vergeten angsten omhoog te hengelen vanaf de oceaanbodem en ze naar het daglicht te trekken, alwaar ze smolten. Toen wist ze, zonder dat te weten, dat hij de enige was bij wie ze kon en wilde blijven.

In de wittebroodsmaanden van hun liefde waren Wilhelm en zij wederzijds bezorgd geweest. “Ik ben te saai voor je”, zei hij. Zij durfde niet te vertellen hoeveel wijn ze dronk.

“Willen jullie nog wat limonade?”

Tussen hen in was een tweede dame in witte broek en hemd verschenen. Iets jonger dan de andere dame was ze, en ze had zwart haar. Eva knikte.

Kyra, zo heette de dame. Kyra was zacht, al zou je dat niet zeggen als je haar gezicht zag. Dat was scherp en spits en daardoor streng. Dat haar haren altijd strak naar achteren in een knot zaten, hielp niet. Ze schilderde in haar vrije tijd, iets wat ze niet uit eigen beweging was gaan doen, al wist Eva niet wie het Kyra dan had opgedragen. Ze wist alleen dat Kyra nooit zelf bedacht zou hebben dat ze wilde schilderen, omdat ze niet het karakter had om dingen te willen.

Schilderen is net schrijven, vond Eva. Je begint met een globaal idee, een schets, en daarna ga je inkleuren. Eva was slecht geworden in inkleuren. Er bleven witte vlekken over, steeds meer, alsof verf en woorden zich terugtrokken van de leegte. Op een zeker punt in je leven realiseer je je dat alles altijd in eeuwige staat van verwelking verkeert.

“De hoeveelste keer is dit?”, vroeg Kyra.
“Negen-en-dertig”, antwoordde Eva.

Kyra werkte op maandag en vrijdag, en altijd als ze Wilhelm en Eva bezocht (kamer 105, volgens het rooster) stelde ze dezelfde vraag: hoeveel? Elke keer antwoordde Eva simpelweg met een getal. Voor de zoveelste keer lazen ze elkaar voor. Dit boek.

Het was hun kleine onderonsje. Een moment van werkelijkheid dat Eva ervoor behoedde weg te zinken in de steeds kleiner wordende cirkel waarbinnen het leven zich bewoog: opstaan, eten, lezen, eten, slapen, etcetera. Een zelfverkozen krimpend bestaan.

Zoveel was er misschien niet eens veranderd.

*

Wilhelm had het boek opengeslagen op tafel gelegd. Bladzijde 485. Zijn hoofd rustte in zijn linkerhand terwijl hij naar Kyra staarde.

“Wat vroeg u?”, antwoordde hij een minuut of drie te laat.

Kyra schonk de limonade in. Die zat in grote plastic glazen, met daarin een reliëf dat geslepen glas moest suggereren. Sinds de vrouw van kamer 66 eerst het glas had laten vallen op de vloer en daarna haarzelf in de scherven, waren alle glazen hier van kunststof. Vanachter haar zwarte pony, zonder te stoppen met het uitschenken van de limonade, keek Kyra Eva somber aan. Ze keek alsof ze iets wilde zeggen, hun ongeschreven regel dat hier het onderonsje eindigde ten spijt. Misschien omdat het al de zoveelste keer was, misschien omdat de zon vandaag uitzonderlijk fel was. Wie zal het zeggen.

“Het is toch wel treurig, hè”, zei Kyra.

Eva keek naar Wilhelm. Naar die fraaie kaaklijn, die het door de jaren heen slapper wordend vel niet had kunnen verbergen. De tijd was zuinig geweest met zijn fysiek. Nee, ze zag er geen treurnis in. De schoonheid van het vergeten is dat je momenten van geluk telkens opnieuw kunt beleven, eindeloos. Wie niets onthoudt, is bovendien altijd vrij. Het was niet de dichte deur van een cel die mensen gek maakte, maar de muren die er elke dag opnieuw exact hetzelfde uitzagen als gisteren, daarvan was Eva overtuigd. Pas later die dag, toen het al donker was, snapte Eva dat Kyra het niet over hém had gehad, maar over háár.

“Onze relatie begon als een droom, laat hem dan ook als een droom eindigen”, zei Eva.
“Dat snap ik niet”, zei Kyra, en ze liep weg om een nieuwe karaf limonade te halen.

Wilhelm begon aan een nieuwe alinea.

*

Die avond lagen Eva en Wilhelm in bed zodra de zon onder was. Ze keek naar hem terwijl ze las. Hij had zijn ogen open. Wellicht zag hij ook haar. Niet de Eva die hier en nu aanwezig was, maar een vroegere versie.

Ze was bij de laatste bladzijde aanbeland en las de slotzin: “’Ons leven lang, altijd’, zei hij.” Wilhelm zweeg.

Eva knipte het lampje uit, en het was zo donker dat ook toen hun ogen aan de duisternis gewend waren, ze niets zagen.

“Ik zie je graag, ook als ik je niet zie”, zei hij tegen haar.
“Ik zei toch dat jij me nooit zat zou worden. Jij niet.” Eva zei het zacht.
“Wat zei je?”
“Niets.”

*

Toen de ochtend aanbrak, een vochtige, bedauwde ochtend met slierten mist die tussen de overrijpe sinaasappels hingen, ontstond er al snel een sfeer van chaotische opgewondenheid.

Kyra was de eerste die de deur van kamer 105 opendeed. In het broze ochtendlicht vloog een zwerm motten omhoog door het openstaande raam. De gordijnen wapperden zachtjes naar binnen als witte vlaggen van capitulatie. Onderweg bleven ze door het dauwvocht kortstondig tegen de ruit plakken. Pas toen de laatste mot verdwenen was zocht Kyra naar Eva en Wilhelm. Ze keek naar het bed.

Daar zag ze hoe de deken de glooiingen volgde van benen, heupen, armen en schouders. Daarboven: het hoofd van Wilhelm, verstijfd, zijn mond lichtjes geopend, in één hoek een ingedroogde druppel kwijl.

“O!”, zei Kyra zacht, zonder Eva te zoeken, en drukte op de alarmbel. Het was alsof de zwaartekracht kleiner was geworden. Een vreemde, fysieke gewaarwording van opluchting, die Kyra in al haar eenvoud niet onder woorden kon brengen. Dus zei ze niks, zuchtte in plaats daarvan, en liep naar het kozijn.

Daar stroomde de frisse lucht verder de ruimte in en verdreef de laatste restjes droom.

Alsof zij nooit had bestaan.